4.10.3 – Het geweten

0
115

Deze kwestie brengt velen in verwarring, omdat ze niet nauwkeurig genoeg onderscheid maken tussen de zogenaamde uiterlijke rechtbank en de rechtbank van het geweten. Bovendien wordt het probleem nog ingewikkelder doordat Paulus gebiedt dat we de overheid moeten gehoorzamen, niet alleen uit angst voor straf, maar ook omwille van het geweten.1 Dat zou dus betekenen dat ook het geweten gebonden is aan de burgerlijke wetten. En als dat zo zou zijn, zou dat alles onderuit halen wat ik in het vorige hoofdstuk gezegd heb en nu nog ga zeggen over de geestelijke regering.

Om dit probleem op te lossen, moeten we in de eerste plaats weten wat het geweten eigenlijk is. De definitie moeten we afleiden uit de oorspronkelijke betekenis van het woord. Als mensen met hun verstand en inzicht dingen leren kennen, zeg je dat ze die dingen ‘weten’. Daarvan is ook het woord ‘wetenschap’ – scientia – afgeleid. Zo is het ook met hun besef van Gods oordeel, dat als een getuige aan hen is toegevoegd en dat hun niet toestaat dat ze hun zonden verbergen, maar hen schuldig verklaart voor Gods rechterstoel. Dat besef wordt conscientia – ‘medewetenschap’ – genoemd. Want de consciëntie – het geweten – is iets tussen God en mens in. Want het staat niet toe dat de mens in zichzelf onderdrukt wat hij weet. Nee, het achtervolgt hem net zolang tot hij zijn schuld erkent.

Dat is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat het geweten van de mensen mee getuigt als hun gedachten hen in Gods oordeel beschuldigen of vrijspreken.2 Als de mens zich enkel bewust zou zijn van zijn zonden, zou dat besef als het ware in hem zelf opgesloten kunnen blijven. Daarom is daar nog dit andere besef, dat hem voor Gods oordeel plaatst, aan toegevoegd als een bewaker, om al zijn geheime daden te observeren en te bekijken, zodat daarvan niets in het donker begraven kan blijven. Vandaar ook dat oude spreekwoord: het geweten staat gelijk aan duizend getuigen.

Daarom gebruikt ook Petrus de vragen die een goed geweten stelt aan God in de betekenis van een rustig hart.3 Als we zeker zijn van Christus’ genade, verschijnen we onbevreesd voor God. En de schrijver van de brief aan de Hebreeën gebruikt de uitdrukking ‘zich van geen zonden meer bewust zijn’ in de zin van bevrijd of vrijgesproken zijn, zodat de zonde ons niet meer beschuldigt.4

1Romeinen 13:5

2Romeinen 2:15-16

31 Petrus 3:21

4Hebreeën 10:2

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in