4.1.20 – Volmaaktheid is in dit leven onbereikbaar

0
150

De veeleisendheid en hoogmoed van mijn tegenstanders gaat nog verder. Want ze erkennen geen kerk die niet vrij is van de allerkleinste smetten. Sterker nog, ze zijn boos op de goede leraren, omdat die de gelovigen aansporen om vooruit te komen, maar hen toch leren om heel hun leven gebukt te gaan onder de last van gebreken en hun toevlucht te nemen tot vergeving. Want, beweren ze, zo worden de gelovigen afgeleid van de volmaaktheid.

Ik geef toe dat we niet laks of slap mogen zijn in het aandringen op volmaaktheid. En we mogen daar al helemaal niet passief in zijn. Maar ik noem het een duivels verzinsel als je het hart al vervult met vertrouwen op volmaaktheid, terwijl we nog onderweg zijn. Daarom wordt in de apostolische geloofsbelijdenis het artikel over de vergeving van zonden toepasselijk vastgeknoopt aan het artikel over de kerk. Want alleen de burgers en gezinsleden van de kerk krijgen die vergeving. Dat lees je bij de profeet Jesaja.1 De opbouw van het hemelse Jeruzalem moet dus eerst komen. En dan zal daar de plek zijn voor Gods welwillendheid, zodat daar de onrechtvaardigheid wordt uitgewist van iedereen die daarnaar toe gegaan is.

Maar als ik zeg dat eerst het hemelse Jeruzalem gebouwd moet worden, bedoel ik niet dat er een kerk kan zijn zonder vergeving van zonden. Nee, ik bedoel dat de Heer zijn barmhartigheid alleen beloofd heeft aan de gemeenschap van de heiligen. Wij kunnen geen verbond of gemeenschap met God hebben zonder vergeving van zonden. Dus de vergeving van zonden vormt voor ons de eerste ingang tot de kerk en Gods koninkrijk. Want via de profeet Hosea zegt God: ‘Op die dag zal Ik voor jullie een verbond sluiten met de dieren van het veld, met de vogels van de hemel en met de kruipende dieren van de aardbodem. En Ik zal de boog, het zwaard en de oorlog van de aarde breken en Ik zal de mensen zonder angst laten slapen. Ik zal Mij voor eeuwig met jullie verloven. Ja, Ik zal mij met jullie verloven in rechtvaardigheid, recht, welwillendheid en barmhartigheid.’2 We zien hoe de Heer zich met ons verzoent door zijn barmhartigheid.

Dat zegt Hij ook ergens anders. Daar voorspelt Hij dat het volk, dat Hij in zijn woede verstrooid had, weer verzameld zal worden: ‘Ik zal hen reinigen van al hun onrechtvaardigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben.’3 Daarom worden wij in de gemeenschap van de kerk aangenomen door het teken van de afwassing. Door dat teken moeten wij leren dat de toegang tot Gods familie alleen voor ons openstaat als eerst dankzij zijn goedheid onze smerigheid wordt afgewassen.

1Jesaja 33:14-24

2Hosea 2:20-21 (2:17-18)

3Jeremia 33:8

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in