4.1.17 – De heiligheid van de kerk

0
163

Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat de kerk niet voor niets heilig genoemd wordt. Maar daarbij moet je wel bedenken door wat voor heiligheid de kerk uitblinkt. Want anders, als we alleen een in alle opzichten volmaakte kerk willen accepteren, blijft er geen enkele kerk over.

Inderdaad zegt Paulus dat Christus zichzelf heeft overgegeven voor de kerk om haar te heiligen. Hij heeft haar gereinigd door het waterbad in het Woord van het leven, om haar aan zichzelf te presenteren als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel, enzovoort.1 Toch is het niet minder waar dat de Heer nog elke dag werkt aan het gladstrijken van haar rimpels en het afwassen van haar vlekken. Dat betekent dus dat haar heiliging nog niet af is. De kerk is dus heilig in de zin dat ze elke dag heiliger wordt. Ze is nog niet volmaakt heilig, maar gaat elke dag vooruit. Ze heeft de eindstreep van de heiliging nog niet bereikt. Ik zal dat ergens anders nog uitgebreider uitleggen.

De profeten voorspellen dat Jeruzalem heilig zal zijn en dat er geen vreemdelingen door haar heen zullen trekken. En dat de tempel heilig is en dat er geen onreinen zullen binnengaan.2 Maar dat moeten we dus niet zo opvatten alsof er bij de leden van die kerk geen vlek meer zou overblijven. Nee, ze doen hun uiterste best om heiligheid en volmaakte zuiverheid na te streven. Daarom wordt de reinheid die ze nog niet volledig bereikt hebben, hun door Gods welwillendheid toegerekend.

Vaak worden er onder de mensen slechts schaarse tekenen van zo’n heiliging gezien. Maar toch moeten we eraan vasthouden dat er vanaf de schepping van de wereld geen moment geweest is waarop de Heer geen kerk gehad heeft. En tot aan het einde van de wereld zal er ook geen moment komen waarop Hij geen kerk heeft. Weliswaar is meteen bij het begin heel het menselijk geslacht bedorven en aangetast door de zonde van Adam. Maar toch heiligt God daaruit altijd enkele vaten voor eervol gebruik, als een gevlekte groep. Daardoor is er nooit een tijd waarin zijn barmhartigheid niet ervaren wordt.

En dat heeft Hij met vaste beloften verzekert. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb een verbond gesloten met mijn uitverkorenen. Ik heb mijn knecht David gezworen: “Ik zal jouw zaad tot in eeuwigheid vastmaken en jouw troon bouwen van generatie op generatie.”’3 En: ‘De HEER heeft Sion uitgekozen. Hij heeft het uitgekozen als zijn woonplaats. Dit is mijn rustplaats voor eeuwig …’4 En: ‘Zo zegt de HEER, die overdag de zon als licht geeft en ’s nachts de maan en de sterren. Als deze bepalingen van voor mijn aangezicht zouden verdwijnen, dan zou er ook een eind komen aan het zaad van Israël.’5

1Efeziërs 5:27-29

2Joël 4:17 (3:17); Jesaja 35:8; Jesaja 52:1

3Psalm 89:4-5

4Psalm 132:13-14

5Jeremia 31:35-36

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in