4.1.15 – Als zondaars onterecht in de kerk getolereerd worden

0
236

Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat Paulus de Korinthiërs ernstig berispt omdat ze een schandelijk man in hun gezelschap dulden. En dat hij daarna een algemene regel geeft, waarin hij zegt dat het niet toegestaan is om zelfs maar brood te eten met iemand die een aanstootgevend leven leidt.1 Hier roepen zij uit: ‘Als je met zo iemand al geen gewoon brood mag eten, hoe zou je dan het brood van de Heer met hem mogen eten?’

Ik geef natuurlijk toe dat het een grote schande is als varkens en honden een plek hebben tussen Gods kinderen. En het is een nog veel grotere schande als het heilige lichaam van Christus als in prostitutie aan hen wordt aangeboden. Maar als het in de kerk ordelijk toegaat, zullen ze geen boosdoeners in hun schoot tolereren. Ze zullen tot die heilige maaltijd geen mensen die het waard zijn samen met mensen die het niet waard zijn toelaten, zonder onderscheid.

Maar de herders waken niet altijd even ijverig. Soms zijn ze wel eens wat toegeeflijker dan zou moeten, of het lukt hun niet om zo streng te zijn als ze zouden willen. Daardoor gebeurt het soms dat degenen die openlijk slecht zijn, niet uit het gezelschap van de heiligen verwijderd worden. Ik geef toe dat dat fout is en ik wil het niet vergoelijken. Paulus berispt de Korinthiërs er immers scherp om.

Maar ook al zou de kerk nalatig zijn in haar plicht, dan mag daarom nog niet ieder lid meteen concluderen dat hij zich moet afscheiden. Ik ontken weliswaar niet dat een vroom mens verplicht is om zich te onttrekken aan elke persoonlijke omgang met goddelozen en dat je geen enkele vrijwillige relatie met hen mag gaan. Maar omgang met slechte mensen ontvluchten is iets anders dan uit afkeer van hen de gemeenschap met de kerk verbreken.

En als ze het heiligschennis vinden om met zulke mensen het brood van de Heer te eten, dan zijn ze daarin veel strenger dan Paulus. Want als Paulus ons aanspoort om dat brood heilig en zuiver te gebruiken, dan eist hij niet dat de een de ander of dat ieder de hele kerk onderzoekt. Nee, ieder moet zichzelf toetsen.2 Als het niet toegestaan zou zijn om het heilig avondmaal te gebruiken samen met iemand die het niet waard is, dan zou Paulus ons vast en zeker wel bevolen hebben om rond te kijken of er in de gemeente soms iemand is wiens onreinheid ons zou kunnen besmetten. Maar nu eist hij alleen dat ieder zichzelf toetst. Daarmee laat hij zien dat het ons echt niet schaadt als sommigen die het niet waard zijn zich bij ons indringen.

Dat klopt met wat hij later toevoegt: ‘Wie eet zonder het waard te zijn, eet en drinkt zichzelf een oordeel.’3 Hij zegt niet: ‘anderen,’ maar: ‘zichzelf.’ En terecht. Want het kan niet zo zijn dat ieder zelf mag oordelen wie geaccepteerd en wie afgewezen moet worden. Dat oordeel is aan de kerk als geheel en het kan niet geveld worden zonder wettelijke orde. Dat zal ik later uitgebreider bespreken. Maar als je iemand die het niet waard is, niet van het avondmaal kunt of mag afhouden, dan zou het dus niet eerlijk zijn als je door de onwaardigheid van die ander besmet zou worden.

11 Korinthiërs 5:2; 1 Korinthiërs 5:11

21 Korinthiërs 11:28

31 Korinthiërs 11:29

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in