4.1.13 – Zonde in de kerk is geen reden om de eenheid te verbreken

0
178

Maar bij het verdragen van een onvolmaakt leven moeten we veel toegeeflijker zijn. Want op dit terrein glijdt je gemakkelijk uit en de satan belaagt ons hier met meer dan gewone listen.

Er zijn altijd mensen geweest die vol waren van het valse waanidee dat ze volkomen heilig waren, alsof ze al een soort geesten in de lucht of engelen in het paradijs waren geworden. Zij wezen het gezelschap af van mensen bij wie ze nog iets menselijks konden ontdekken. Zo deden in het verleden de katharen en de donatisten, die de katharen in hun dwaasheid volgden. Zo doen tegenwoordig sommigen van de wederdopers, die de schijn willen wekken dat ze verder vooruitgekomen zijn dan anderen.

Er zijn ook anderen. Zij zondigen meer door een onbezonnen ijver voor rechtvaardigheid dan door deze dwaze hoogmoed. Als zij zien dat bij degenen aan wie het evangelie wordt verkondigd de vrucht van het leven niet met het evangelie correspondeert, concluderen ze meteen dat daar geen kerk is. Weliswaar is hun ergernis heel terecht en we geven daar in deze heel ellendige tijd meer dan genoeg aanleiding toe. Onze vervloekte laksheid valt niet te verontschuldigen en de Heer zal die niet ongestraft laten. Hij begint die nu al met zware geselslagen te tuchtigen. Dus wee ons, dat wij er door de onbeheerste losbandigheid van onze zonden de oorzaak van zijn dat zwakke gewetens om ons gewond raken!

Maar degenen over wie ik het zojuist had, zondigen omgekeerd hierin: ze weten hun ergernis niet te beperken. Want waar de Heer zachtmoedigheid eist, laten zij die los. Ze geven zich over aan een onbeheerste strengheid. Ze vinden dat er geen kerk is als het leven er niet volkomen zuiver en ongeschonden is. En daarom verlaten ze, uit haat tegenover de zonde, de wettige kerk, terwijl ze denken dat ze zich afkeren van een groepering van slechte mensen.

Ze stellen dat Christus’ kerk heilig is.1 Maar ze moeten beseffen dat de kerk tegelijkertijd ook bestaat uit een mengsel van goede en slechte mensen. Daarom moeten ze maar eens luisteren naar wat Christus zegt in de gelijkenis waarin de kerk vergeleken wordt met een net waarmee allerlei soorten vissen gevangen worden. Die vissen worden niet gesorteerd voordat het net op het strand gelegd is.2 Ze moeten er maar eens naar luisteren dat de kerk net een akker is waarin goed graan gezaaid is, maar die door het bedrog van de vijand verontreinigd wordt met onkruid. Die akker wordt daar niet van gereinigd voordat de oogst naar de dorsvloer gebracht is.3 Ten slotte moeten ze er maar eens naar luisteren dat de kerk net een dorsvloer is waarop de tarwe verzameld wordt, maar dan wel verborgen tussen het kaf. Pas als de tarwe met wan en zeef gezuiverd is, wordt die eindelijk opgeborgen in de voorraadschuur.4

De Heer zegt dus dat de kerk tot aan de oordeelsdag gebukt zal gaan onder het kwaad dat er slechte mensen met haar vermengd zijn. Daarom zoeken zij tevergeefs naar een kerk die met geen enkele vlek besmeurd is.

1Efeziërs 5:26

2Mattheüs 13:47-58

3Mattheüs 13:24-30

4Mattheüs 3:12

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in