3 – De ware leer is niet nieuw, niet onzeker en heeft geen wonderen nodig

0
155

Toch houden onze tegenstanders niet op om onze leer aan te vallen en op alle mogelijke manieren te beschuldigen en te belasteren. Ze willen onze leer gehaat en verdacht maken. Ze noemen die een nieuwe leer die pas kortgeleden ontstaan zou zijn. Ze drijven er de spot mee omdat ze twijfelachtig en onzeker zou zijn. Ze vragen welke wonderen er gebeurd zijn om onze leer te bevestigen. Ze vragen of het wel terecht is dat we onze leer handhaven, omdat die in zou gaan tegen de eenparige opvattingen van zoveel heilige kerkvaders en tegen de oeroude traditie. Ze dringen erop aan dat we erkennen dat onze leer scheuringen veroorzaakt, omdat die leer de strijd aanbindt met de kerk, óf dat de kerk vele eeuwen dood geweest is, omdat onze leer al die tijd niet gehoord werd. Ten slotte zeggen ze dat ze niet veel bewijzen nodig hebben, omdat ze aan de vruchten kunnen zien hoe onze leer is. Want ze zou een grote hoop sekten, veel onrust en opstand en een grote bandeloosheid voortgebracht hebben.

Inderdaad, het is voor hen heel gemakkelijk om bij de goedgelovige en onwetende massa een zaak te bespotten die door niemand verdedigd wordt. Maar als wij op onze beurt ook de gelegenheid zouden krijgen om te spreken, zou de felheid, waarmee ze ongeremd en ongestraft hun gal tegen ons spuwen, wel bekoelen.

In de eerste plaats, dat ze onze leer nieuw noemen, is een groot onrecht tegenover God. Zijn heilig Woord verdient het niet om van nieuwheid beschuldigd te worden. Ik twijfel er natuurlijk niet aan dat onze leer voor hén nieuw is. Want voor hen zijn ook Christus en het evangelie nieuw. Maar de mensen die weten dat de prediking van Paulus, dat Jezus Christus gestorven is om onze zonden en opgewekt is om ons te rechtvaardigen,1 oud is – die mensen zullen bij ons niets nieuws ontdekken.

Onze leer is lange tijd onbekend en begraven geweest. Maar dat is te wijten aan de goddeloosheid van de mensen. God is zo goed om ons deze leer nu terug te geven. Daarom moet ze in elk geval in ere hersteld worden. We moeten weer erkennen dat ze oud is.

Uit dezelfde bron van onwetendheid komt voort dat onze tegenstanders beweren dat onze leer twijfelachtig en onzeker is. Dat is precies waarover de Heer klaagt door zijn profeet: een rund kent zijn eigenaar en een ezel kent de voederbak van zijn meester, maar God wordt niet gekend door zijn volk.2

Laat hen maar de spot drijven met de onzekerheid van onze leer. Als ze hun eigen leer moesten bezegelen met hun eigen bloed, ten koste van hun leven, dan zouden we kunnen zien hoeveel waarde ze daaraan hechten. Met ons geloofsvertrouwen is het heel anders gesteld. Wij zijn niet bang voor de verschrikkingen van de dood, ja zelfs niet voor Gods rechterstoel.

Dat ze wondertekenen van ons eisen, is niet eerlijk van hen. Wij fabriceren niet een of ander nieuw evangelie. Wij bewaren juist het evangelie dat bevestigd wordt door alle wondertekenen die Christus en de apostelen ooit gedaan hebben.

Nu kun je zeggen dat zij op ons het voordeel hebben dat ze hun geloof tot op de dag van vandaag nog steeds door wondertekenen kunnen bevestigen. Ja, maar ze beroepen zich op wonderen die zelfs de meest onbevangen gelovige nog aan het twijfelen kunnen brengen. Zo flauw en belachelijk, zo waardeloos en vals zijn die wonderen. En toch, ook al waren het nog zulke wonderbaarlijke wonderen, dan hoorden ze nog geen gewicht in de schaal te leggen tegenover de waarheid van God. Want de naam van God moet overal en altijd geheiligd worden, of het nu door wonderen is, of door de natuurlijke orde van de dingen.

Het zou misschien nog een beetje indruk kunnen maken, als de Schrift ons niet leerde wat de bedoeling is van wondertekenen en hoe die op de juiste manier gebruikt moeten worden. Want Marcus leert dat de tekenen die volgden op de prediking door de apostelen, gegeven werden om die prediking te bevestigen.3 Zo vertelt Lucas dat de Heer het Woord van zijn genade kracht van bewijs gaf doordat er tekenen en wonderen gebeurden door de handen van de apostelen.4 Dat klopt helemaal met het woord van de apostel dat ons behoud nadat het verkondigd werd, bevestigd werd doordat ook God ervan getuigde door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten.5

We horen dus dat de wondertekenen garantiebewijzen van het evangelie zijn. Zouden we die dan gebruiken om het geloof in het evangelie te vernietigen? Ze zijn alleen bedoeld om de waarheid te garanderen. Zouden we die dan gebruiken om leugens te bevestigen? Daarom moet in de eerste plaats de leer onderzocht en uitgeplozen worden. Marcus zegt immers dat de leer voorop gaat. Pas als blijkt dat de leer goed is, mag ze bevestiging vinden in de wonderen.

Het kenmerk van de ware leer, zo getuigt Christus, is nu dat ze niet de eer van mensen zoekt, maar de eer van God.6 Christus verzekert dat we de leer daarop moeten toetsen. Daarom is het verkeerd om waarde te hechten aan wonderen die op een ander doel gericht zijn dan op de verheerlijking van de naam van de enige God.7 En het is goed om te bedenken dat ook de satan zijn wondertekenen heeft. Weliswaar zijn dat meer goocheltrucs dan echte grote daden. Maar toch zijn ze in staat om onverstandigen en ongeschoolden te bedriegen. Waarzeggers en tovenaars zijn altijd beroemd geweest om hun wonderen. De afgodendienst dreef op verbazingwekkende wonderen. Toch bewijst dat voor ons niet dat waarzeggers en afgodendienaars gelijk hebben met hun bijgeloof.

Ook de donatisten brachten tegen de eenvoud van het volk in stelling dat ze sterk waren in het doen van wondertekenen. Dus antwoorden wij onze tegenstanders nu hetzelfde als Augustinus tegen de donatisten zei: de Heer heeft ons tegen zulke wonderdoeners gewaarschuwd, toen Hij voorspelde dat er valse profeten zouden komen, die zouden proberen om de uitverkorenen te verleiden met valse tekenen en allerlei wonderdaden.8 En Paulus heeft ons gewaarschuwd dat het rijk van de antichrist zou bestaan in allerlei grote daden, tekenen en wonderen van de leugen.9

Maar déze wonderen, zo zeggen onze tegenstanders, worden niet gedaan door afgoden, niet door bedriegers, niet door valse profeten, maar door heiligen. Alsof we niet zouden weten dat dat de methode van de satan is, om zichzelf voor te doen als een engel van het licht.10 In het verleden hebben de Egyptenaren Jeremia, die in hun land begraven was, met offers en andere goddelijke eerbewijzen vereerd.11 Misbruikten zij zo de heilige profeet van God niet voor hun afgodendienst? Toch bracht hun verering van zijn graf hen tot de overtuiging dat ze de genezing van een slangenbeet daarmee eerlijk verdiend hadden. Wat zullen we anders zeggen dan dat dit Gods rechtvaardige straf geweest is? Dat zal altijd zijn straf zijn voor degenen die de liefde voor de waarheid niet hebben aangenomen. Hun geeft Hij een dwaling die zo sterk is, dat ze de leugen geloven.12

Wij hebben dus wel degelijk wondertekenen. Zekere wondertekenen zelfs, waar niet mee te spotten valt. Maar de tekenen waar zij zich op beroepen zijn niet meer dan luchtspiegelingen van de satan. Want zij voeren het volk af van de ware dienst aan God en verleiden het tot loos bijgeloof.

1Romeinen 4:25

2Jesaja 1:3

3Marcus 16:20

4Handelingen 14:3

5Hebreeën 2:4; Romeinen 15:18-19

6Johannes 7:18; Johannes 8:50

7Deuteronomium 13:2-4 (13:1-3)

8Mattheüs 24:24; Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus 13,17

92 Thessalonicenzen 2:9

102 Korinthiërs 11:14

11Isidorus van Sevilla, De ortu et orbitum patrum 33,74

122 Thessalonicenzen 2:11

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in