3.5.3 – De dood van een gewoon mens kan geen verzoening brengen

0
301

Leo I, bisschop van Rome,1 schrijft aan de Palestijnen heel duidelijk tegen deze heiligschennis: ‘De dood van vele heiligen is weliswaar kostbaar geweest in Gods ogen. Psalm 116:15 Toch heeft niemands dood, ook al was hij onschuldig, verzoening gebracht voor de wereld. De rechtvaardigen hebben kronen gekregen, niet gegeven. En de moed van de gelovigen heeft voorbeelden opgeleverd van volharding, geen gaven van rechtvaardigheid. Immers, ieders dood heeft alleen betekenis voor hemzelf en niemand heeft door zijn levenseinde de schuld betaald van iemand anders. Want er is er slechts één geweest, de Heer Christus, in wie iedereen gekruisigd, gestorven, begraven en opgewekt is.’2 En omdat deze uitspraak de moeite van het vermelden waard was, heeft hij die ook ergens anders herhaald.3

Vast en zeker zouden we niets duidelijkers kunnen wensen om dit goddeloze dogma de doodsteek te geven. Toch zegt Augustinus hetzelfde niet minder juist: ‘Ook al sterven we als broeders voor onze broeders, toch wordt het bloed van geen enkele martelaar vergoten om zonden te vergeven. Dat heeft Christus voor ons gedaan. En Hij heeft dat niet gedaan met de bedoeling dat wij Hem daarin moeten imiteren, maar dat we Hem daarvoor zouden danken.’4 En ergens anders: ‘Alleen de Zoon van God is een mensenzoon geworden om ons samen met Hem zonen van God te maken. En zo heeft ook alleen Hij, zonder dat Hij iets slechts verdiend had, voor ons de straf op zich genomen, zodat wij, zonder dat wij iets goeds verdiend hadden, door Hem onverdiende genade zouden krijgen.’5

Werkelijk, heel de leer van mijn tegenstanders is samengesteld uit verschrikkelijke heiligschennis en godslastering, maar dit is toch wel een godslastering die boven de andere uitsteekt, zo monsterlijk is het. Ze moeten maar eens erkennen dat hun ideeën hierop neerkomen: martelaren hebben met hun dood bij God meer bereikt en verdiend dan ze zelf nodig hadden. Ze hebben zo’n grote voorraad verdiensten over gehad dat die ook aan anderen uitgedeeld kon worden. En om te voorkomen dat zo’n grote zegen ongebruikt zou blijven, wordt hun bloed vermengt met het bloed van Christus. Dat dubbele bloed vormt de voorraad van de kerk waaruit zonden vergeven en voldaan worden. En zo zou je moeten opvatten wat Paulus zegt: ‘Ik vul in mijn lichaam aan wat er ontbreekt aan het lijden van Christus, voor zijn lichaam, dat is de kerk.’ Kolossenzen 1:24

Wat is dit anders dan Christus wel zijn naam laten houden, maar verder van Hem een gewoon heiligje maken dat nauwelijks nog opvalt in de grote massa? Hij, Hij alleen hoort gepredikt te worden, Hij alleen hoort gepresenteerd te worden, Hij alleen hoort genoemd te worden, naar Hem alleen hoort opgekeken te worden als het gaat om het verkrijgen van vergeving van zonden, verzoening en heiliging.

Maar laten we eens luisteren naar hun vreemde gedachtegangen. Om te voorkomen dat het bloed van de martelaren vruchteloos vergoten is, moet het gebruikt worden voor het algemeen belang van de kerk. O ja? Was het dan helemaal voor niets dat ze met hun dood Gods glorie lieten schitteren? Dat ze met hun bloed zijn waarheid onderschreven? Dat ze met hun verachting van het tegenwoordige leven getuigden dat ze uit waren op een beter leven? Dat ze met hun standvastigheid het geloof van de kerk bevestigden en de koppigheid van de vijanden braken?

Maar dat is precies het probleem: mijn tegenstanders erkennen geen enkele vrucht als Christus de enige verzoener is, als Hij als enige gestorven is voor onze zonden, als Hij als enige geofferd is voor onze verlossing. Zij zeggen: Petrus en Paulus zouden de overwinningskrans ook wel gekregen hebben als ze op hun bed waren overleden. Maar ze hebben een bloedige strijd gevoerd. Daarom zou het niet te rijmen vallen met Gods rechtvaardigheid als die strijd zonder vrucht en nut zou blijven. Alsof God niet zou weten hoe Hij zijn glorie moest vergroten in zijn dienaren, in overeenstemming met de gaven die Hij hun gegeven had! En hun zege levert genoeg op voor het algemeen belang van de kerk als zij daardoor ontbrandt in ijver om te strijden.

1Paus Leo I de Grote ( 461).

2Leo I, Epistulae, 81.

3Leo I, Epistulae, 95.

4Augustinus, In Ioannis euangelium tractatus, 84,2.

5Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium IV, 4,6.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in