3.4.7 – Het ontstaan van de biecht als plicht

Ik verbaas me erover hoe onbeschaamd de sofisten durven beweren dat God de biecht waarover zij het hebben, bevolen heeft. Ik geef toe dat het al een heel oude gewoonte is. Maar ik kan gemakkelijk bewijzen dat het vroeger geen verplichting was. In elk geval vertellen ook hun eigen geschiedenisboeken dat er voor de biecht vóór de tijd van Innocentius III1 geen specifieke wet of regel geweest is. Vast en zeker zouden ze liever een oudere wet genomen hebben als ze die hadden. Nu moeten ze tevreden zijn met een besluit van het concilie van Lateranen (1215). Zelfs kinderen moeten daarom lachen. Maar het is niet in hen opgekomen om op dit punt met een vervalsing te komen. Dus getuigen ze ook zelf dat er nog geen driehonderd jaar voorbijgegaan is sinds Innocentius III de val gezet heeft en van het biechten een verplichting gemaakt heeft.

En om te zwijgen van de tijd, alleen al de taalkundig onzorgvuldige bewoording maakt deze wet ongeloofwaardig. Want deze goede vaders bevelen dat ‘ieder van beide seksen’ eenmaal per jaar al zijn zonden moet belijden aan zijn eigen priester. Mensen met gevoel voor humor maken hiervan dat dit gebod alleen slaat op hermafrodieten, maar niet op mensen die of man of vrouw zijn. En hun leerlingen blijken later nog dommer te zijn. Want zij kunnen niet eens uitleggen wat er bedoeld wordt met de ‘eigen priester’.

Wat al die leuterende huurlingen van de paus ook kletsen, we weten dat Christus niet de auteur van deze wet is, die de mensen dwingt hun zonden op te sommen. Sterker nog, sinds Christus opstanding is er twaalfhonderd jaar voorbijgegaan vóór deze wet werd opgesteld. Dus is deze tirannie pas ingevoerd nadat de vroomheid en de ware leer waren uitgedoofd en de nep-herders zich al zonder onderscheid lieten gaan in alle mogelijke losbandigheid.

Bovendien leveren zowel de geschiedenisboeken als andere oude schrijvers overtuigende bewijzen waaruit blijkt dat dit een vorm van burgerlijke discipline geweest is en geen wet die Christus of de apostelen hebben ingesteld. Uit de vele bewijzen zal ik er één aanhalen om dit overtuigend aan te tonen. De kerkhistoricus Sozomenus2 vertelt dat in de kerken in het Westen de bisschoppen zich ijverig aan deze regel hielden, vooral in Rome. Daarmee geeft hij aan dat dit dus geen algemene regel was in alle kerken. Ook zegt hij dat er van de priesters één speciaal aangewezen was om deze taak uit te voeren. Daarmee weerlegt hij volledig de leugen van de pausgezinden dat de hele priesterstand zonder onderscheid de sleutels gekregen heeft om op deze manier te gebruiken. Want niet alle priesters samen hadden deze taak. Het was de specifieke opdracht van één priester die daar door de bisschop voor was uitgekozen. Dat is degene die de pausgezinden ook nu in elke bisschopskerk de poenitentiarius noemen. Hij onderzoekt de ergste misdaden van de degenen die gestraft worden om een voorbeeld te stellen.

Sozomenus voegt daaraan toe dat deze gewoonte ook bestaan heeft in Constantinopel. Maar daar werd een getrouwde vrouw betrapt die deed alsof ze biechtte, maar die de biecht misbruikte als dekmantel voor haar verhouding met een diaken. Die misdaad was voor Nectarius,3 de bisschop van die kerk, reden om de gewoonte van het biechten af te schaffen. En Nectarius staat bekend als een heilig en geleerd man.4 Zo, nu moeten die ezels hun oren spitsen! Als de individuele biecht een bevel van God was, hoe zou Nectarius die dan hebben durven afschaffen en aan de kant schuiven? Willen ze Nectarius beschuldigen als ketter en scheurmaker? Alle kerkvaders geven hoog van hem op! Maar als ze hem veroordelen, moeten ze ook de kerk van Constantinopel veroordelen. Want daar is de gewoonte van het biechten niet slechts even in onbruik geweest. Nee, Sozomenus beweert dat die gewoonte tot in zijn tijd afgeschaft was! Sterker nog, ze moeten dan niet alleen de kerk van Constantinopel beschuldigen van afval, maar alle kerken in het Oosten. Want die negeren een wet die – als zij de waarheid spreken – onaantastbaar en aan alle christenen opgelegd is.

1Paus Innocentius III (1161-1216).

2Salminius Hermias Sozomenus (5e eeuw), Byzantijnse kerkhistoricus.

3Nectarius ( 397), bisschop van Constantinopel.

4Sozomenus, Historia ecclesiastica VII, 16.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.

FunctionalOur website uses functional cookies. These cookies are necessary to let our website work.

AnalyticalOur website uses analytical cookies to make it possible to analyze our website and optimize for the purpose of a.o. the usability.

Social mediaOur website places social media cookies to show you 3rd party content like YouTube and FaceBook. These cookies may track your personal data.

AdvertisingOur website places advertising cookies to show you 3rd party advertisements based on your interests. These cookies may track your personal data.

OtherOur website places 3rd party cookies from other 3rd party services which aren't Analytical, Social media or Advertising.