3.4.39 – De leer van de kerkvaders wordt verdraaid en vervalst

0
275

De kerkvaders noemden genoegdoening ook vooral een openlijke verklaring en geen betaling aan God. Als degenen die met de ban gestraft waren, weer in de gemeenschap opgenomen wilden worden, bevestigden ze met zo’n verklaring dat ze berouw hadden. Zulke berouwvolle mensen kregen bepaalde opdrachten om te vasten en andere dingen te doen, om zo te bewijzen dat ze echt en oprecht berouw hadden van hun eerdere leven, of liever, om de herinnering aan het verleden uit te wissen. En dus werd er over hen ook niet gezegd dat ze genoegdoening gaven aan God, maar aan de kerk. Met exact deze woorden zegt Augustinus dat ook in zijn Handboek aan Laurentius.1

Deze oude gewoonte vormt de oorsprong voor de biecht en de genoegdoeningen die tegenwoordig in gebruik zijn. Echt addergebroed, waardoor er zelfs geen schaduw meer over is van de oorspronkelijke, betere vorm. Ik weet dat de oude schrijvers zich vaak wat ingewikkeld uitdrukken. En ik ontken niet dat ze misschien zijn uitgegleden. Maar als de scholastici er met hun ongewassen handen aankomen, wordt wat met een paar vlekken bezoedeld was, volledig besmeurd.

En als we dan moeten discussiëren op basis van het gezag van de kerkvaders, welke oude schrijvers, goede God, dringen ze ons dan op? Een flink deel van de citaten waar Petrus Lombardus, hun leider, zijn lappendekens uit samengesteld heeft, is afkomstig uit het dwaze gezwets van sommige monniken, op naam van Ambrosius, Hiëronymus, Augustinus en Chrysostomos. Over dit onderwerp bijvoorbeeld haalt hij bijna alles uit het boek van Augustinus Over berouw.2 Maar dat boek is door een of andere bloemlezer op een dwaze manier bijeengeraapt uit zowel goede als slechte schrijvers, zonder onderscheid. Het draagt wel de naam van Augustinus, maar niemand, hoe weinig geleerd ook, zou dit boek de naam van Augustinus waard keuren.

De lezers moeten me maar vergeven dat ik hun dwaasheden niet zo scherpzinnig onderzoek. Ik wilde de lezers er niet mee lastigvallen. Voor mij zou het zeker niet moeilijk en juist prijzenswaard zijn om tot hun grote schande die dingen aan de kaak te stellen waar zij vroeger zo hoog van opgaven als mysteries. Maar ik zie ervan af.

1Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 17,65.

2Augustinus, De vera et falsa poenitentia.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in