Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.4 – Berouw, schuldbelijdenis en genoegdoening 3.4.30 – Omdat Christus voor ons betaald heeft, hoeven wij niets meer te betalen

3.4.30 – Omdat Christus voor ons betaald heeft, hoeven wij niets meer te betalen

Ik vraag je: wat zou Christus voor ons gedaan hebben als er nog steeds straf geëist werd voor de zonden? We zeggen toch dat Hij al onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft aan het hout? 1 Petrus 2:24 Daarmee zeggen we toch niets anders dan dat Hij de straf en de wraak die wij schuldig waren door onze zonden, volledig gedragen heeft?

Jesaja heeft dit nog duidelijker uitgelegd. Hij zegt dat de straf – of de correctie – die ons vrede geeft, op Hem was. Jesaja 53:5 En wat is de straf die ons vrede geeft anders, dan de straf die wij verdiend hadden met onze zonden en die wij hadden moeten betalen om met God verzoend te kunnen worden als Christus onze plaats niet had ingenomen? Zie je, het is duidelijk dat Christus de straf voor de zonden gedragen heeft om de zijnen daarvan te verlossen!

En telkens als Paulus de verlossing noemt die Christus tot stand gebracht heeft, noemt hij die steeds een apolutrosis – een ‘loskoping’. Romeinen 3:24; 1 Korinthiërs 1:30; Efeziërs 1:7; Kolossenzen 1:14 Daarmee bedoelt hij niet simpelweg een verlossing zoals we die meestal opvatten. Hij bedoelt de prijs en de betaling voor de verlossing, wat we in het Frans rançon – ‘losprijs’ – noemen. Daarom schrijft hij ook dat Christus zichzelf aan ons gegeven heeft als een antilutron – een ‘losprijs’. 1 Timotheüs 2:6 ‘Waarmee kan de Heer anders verzoend worden,’ zegt Augustinus, ‘dan met een offer? En welk offer is er anders dan het offer dat voor ons geofferd is in de dood van Christus?’1

En we krijgen vooral de beschikking over een sterke stormram door wat in de wet van Mozes voorgeschreven wordt over het uitwissen van de schuld van de zonden. Immers, de Heer heeft daar niet bepaald dat je de schuld zus of zo kunt voldoen. Nee, Hij eist een volledige compensatie in de vorm van offers. Toch beschrijft Hij daar wel heel nauwkeurig het exacte systeem van alle rituelen voor de verzoening. Exodus 30:10; Leviticus 4-7; Numeri 15 En waarom beveelt Hij om de gepleegde misdaden te herstellen zonder ook maar één goede daad? Waarom eist Hij alleen offers voor verzoening? Dat is toch alleen omdat Hij zo duidelijk wil maken dat er maar één vorm van voldoening is die aan zijn oordeel kan voldoen? Immers, de offers die de Israëlieten toen brachten, werden niet beschouwd als goede daden van mensen. Ze werden beoordeeld naar de werkelijkheid die ze afbeeldden: het enige offer van Christus.

En wat voor betaling de Heer van ons krijgt, heeft Hosea in een paar woorden heel mooi aangegeven. Hij zegt: ‘U zult alle zonden wegnemen, God.’ Kijk, dat is de vergeving van zonden. ‘Dan zullen wij betalen met de kalveren van onze lippen.’ Hosea 14:3 Kijk, dat is onze genoegdoening.

Ik weet wel dat mijn tegenstanders een nog scherpzinniger uitvlucht proberen te vinden door een onderscheid te maken tussen de eeuwige straf en tijdelijke straffen. Maar ze leren dat alle straffen die God zowel lichaam als ziel laat ondergaan tijdelijke straffen zijn. De eeuwige dood is de enige uitzondering. Dus helpt deze beperking hen weinig verder. Want de passages die ik hierboven aangehaald heb, stellen juist vooral dat God, als Hij ons in genade aanneemt, onze schuld vergeeft en alle straf die wij verdiend hadden, kwijtscheldt.

En telkens als David of de andere profeten vragen om vergeving voor hun zonden, smeken ze tegelijk of hun straf kwijtgescholden mag worden. Het besef van Gods oordeel zet hen daartoe aan. En ook als ze namens de Heer barmhartigheid beloven, verkondigen ze altijd uitdrukkelijk dat de straffen zijn kwijtgescholden. Bij Ezechiël verklaart de Heer dat Hij een eind zal maken aan de Babylonische ballingschap. Niet omwille van de Joden, maar omwille van Hemzelf. Ezechiël 36:22; 36:32 Dat laat duidelijk genoeg zien dat dat allebei gratis is.

Kortom, als wij door Christus verlost worden van onze schuld, moet dat ook een eind maken aan de straffen die uit die schuld voortvloeien.

1Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 129, 3.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.