3.3.4 – Berouw van de wet en berouw van het evangelie

0
127

Anderen zagen dat het woord ‘berouw’ in de Schrift verschillende betekenissen heeft. Daarom stelden ze dat er twee vormen van berouw zijn. En om die met een kenmerk van elkaar te onderscheiden, noemden ze de ene vorm ‘berouw van de wet’. Door deze vorm van berouw blijft de zondaar, gebrandmerkt door de zonde en gebroken door de angst voor Gods woede, hangen in zijn onrust. Hij kan zich er niet uit losrukken. De andere vorm van berouw noemen ze ‘berouw van het evangelie’. Door deze vorm van berouw klimt de zondaar boven zijn eigen verslagenheid uit. Hij pakt Christus beet als medicijn voor zijn verwonding, als troost in zijn angst en als veilige haven in zijn ellende.

Als voorbeelden van het berouw van de wet nemen ze Kaïn, Saul en Judas.1 Als de Schrift vertelt over het berouw van deze mannen, tekent ze daarvan dit beeld: toen ze ontdekten hoe erg ze gezondigd hadden, vreesden ze Gods toorn. Maar ze zagen God alleen maar als wreker en rechter en daarom bezweken ze onder dat besef. Hun berouw was dus niets anders dan een soort voorportaal van de hel. Al in dit leven kwamen ze daarin terecht. Met het zien van Gods woedende gelaat ondergingen ze dus het begin van hun straf.

Het berouw van het evangelie zien we in iedereen die zelf door de angel van de zonde gewond is, maar zich door het vertrouwen op Gods barmhartigheid opricht en opleeft en zich tot de Heer bekeert. Hizkia schrok toen hij het bericht kreeg dat hij zou sterven. Maar huilend bad hij en door te letten op Gods goedheid kreeg hij zijn vertrouwen terug.2 De inwoners van Ninevé waren ontsteld toen hun ondergang aangekondigd werd. Maar ze baden in zak en as, in de hoop dat de Heer op andere gedachten gebracht kon worden en zijn brandende woede kon worden afgewend.3 David erkende dat hij heel erg gezondigd had door het volk te laten tellen. Maar hij voegde eraan toe: ‘HEER, neem de zonde van uw dienaar toch weg.’4 Toen Nathan hem berispte, gaf hij de misdaad van zijn overspel toe en wierp zich voor Gods aangezicht op de grond. Maar tegelijk verwachtte hij vergeving.5 Zulk berouw hadden degenen die diep verslagen raakten door de preek van Petrus. Maar ze vertrouwden erop dat God goed was en daarom zeiden ze: ‘Wat moeten we doen, mannenbroeders?’6 Zulk berouw had Petrus ook zelf. Hij huilde bitter maar bleef hopen.7

1Genesis 4:13; 1 Samuël 15:20-30; Mattheüs 27:3-5

22 Koningen 20:1-3; Jesaja 38:1-3

3Jona 3:5-9

42 Samuël 24:10

52 Samuël 12:13-16

6Handelingen 2:37

7Mattheüs 26:75; Lucas 22:62

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in