3.3.2 – Echt berouw is alleen mogelijk op basis van het evangelie

0
133

Christus, zeggen zulke mensen, en Johannes de Doper roepen in hun prediking het volk eerst op tot berouw. Pas daarna voegen ze eraan toe dat het koninkrijk van de hemel vlakbij gekomen is.1 De apostelen krijgen dezelfde preekopdracht en ook Paulus hield deze volgorde aan, zo vertelt Lucas.2 Maar deze mensen klampen zich bijgelovig vast aan de letterlijke woordvolgorde. Ze zien niet hoe de woorden qua betekenis met elkaar samenhangen.

Inderdaad prediken de Heer Christus en Johannes de Doper op deze manier: ‘Bekeer je, want het koninkrijk van de hemel is vlakbij gekomen!’ Maar nemen ze de genade en de belofte van redding niet juist als reden om berouw te hebben? Hun woorden hebben dezelfde betekenis als wanneer ze zouden zeggen: ‘Het koninkrijk van de hemel is vlakbij gekomen. Bekeer je daarom!’ Want als Mattheüs vertelt dat Johannes de Doper zo gepredikt heeft, legt hij uit dat in hem de profetie van Jesaja vervuld is over de stem die roept in de woestijn: ‘Baan de weg voor de Heer, maak de paden recht voor onze God!’3 Maar bij de profeet krijgt die stem het bevel om te beginnen met troost en een blijde boodschap.

Echter, als ik zeg dat de bron van berouw in het geloof ligt, fantaseer ik daarmee niet dat er een bepaalde periode zou zijn waarin het geloof bezig is het berouw te baren. Ik wil alleen duidelijk maken dat de mens pas serieus werk kan maken van berouw als hij weet dat hij bij God hoort. En niemand is er echt van overtuigd dat hij bij God hoort als hij niet eerst Gods genade aangenomen heeft. Maar dat zal ik in het vervolg duidelijker uitleggen.

Deze mensen worden wellicht op het verkeerde been gezet omdat velen uit gewetensangst al in het gareel gedwongen of tot gehoorzaamheid gebracht worden voordat ze de genade hebben leren kennen en nog voordat ze er zelfs maar een voorproefje van gehad hebben. Dit is de beginvrees. Die lijkt op de vrees zoals we die zien bij kleine kinderen die nog niet beheerst worden door hun verstand. Sommigen beschouwen die vrees als een goede eigenschap. Want ze vinden dat die dicht bij de echte en juiste gehoorzaamheid komt.

Maar het gaat er nu niet over op wat voor verschillende manieren Christus ons naar zich toetrekt of ons voorbereidt op het streven naar vroomheid. Ik zeg alleen dat je nergens oprecht berouw zult vinden waar niet de Geest regeert die Christus gekregen heeft om zijn ledematen in te laten delen.

Bovendien staat er in Psalm 130: ‘Bij U is vergeving, zodat U gevreesd wordt.’4 Volgens dat woord zal niemand God eerbiedig vrezen als hij er niet op vertrouwt dat God hem genadig is. Niemand zal graag zijn uiterste best doen om zich aan de wet te houden als hij er niet van overtuigd is dat God blij is met zijn gehoorzaamheid. Want deze welwillendheid waarmee God onze zonden vergeeft en verdraagt, vormt een bewijs van zijn vaderliefde.

Dat blijkt ook uit de oproep van Hosea: ‘Kom, laten we terugkeren naar Jehova, want Hij heeft verscheurd en zal ons genezen, Hij heeft geslagen en zal ons verzorgen.’5 Hosea voegt de hoop op vergeving toe als een prikkel om te voorkomen dat ze verstijfd in hun zonden zouden blijven liggen.

Het is volslagen waanzin dat sommigen zo dwaas zijn om hun nieuwe bekeerlingen bepaalde dagen voor te schrijven waarop ze hun berouw in praktijk moeten brengen, om zo met berouw te beginnen. Pas na afloop van die dagen laten ze hen toe om te delen in de genade van het evangelie. Ik heb het hier over de meeste wederdopers, vooral over hen die vreemd genoeg graag voor geestelijk doorgaan, en over hun makkers de jezuïeten en meer van zulk gespuis. Dat zijn nu de vruchten die de geest van verwarring voortbrengt: een christen moet heel zijn leven lang berouw hebben, maar zij sluiten dat berouw op binnen de grenzen van slechts enkele dagen.

1Mattheüs 3:2; Mattheüs 4:17

2Handelingen 20:21

3Mattheüs 3:3; Jesaja 40:3

4Psalm 130:4

5Hosea 6:1

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in