3.25.8 – Ons lichaam wordt anders

0
122

Ik schaam me ervoor dat ik bij zo’n duidelijk onderwerp zoveel woorden gebruik. Maar ik hoop dat de lezers zo vriendelijk zijn die last samen met mij te dragen, om te voorkomen dat er voor verkeerde en overmoedige geesten ook maar een kiertje openstaat om eenvoudige mensen te bedriegen.

Ik bestrijd nu wispelturige geesten die aankomen zetten met hun hersenschimmen. Zij zeggen dat er bij de opstanding nieuwe lichamen geschapen zullen worden. Hoe komen ze op dit idee? Natuurlijk doordat ze het ongelofelijk vinden dat een lijk dat door zo’n lang proces van ontbinding vergaan is, zijn vroegere toestand kan terugkrijgen! Dus is alleen ongeloof de moeder van deze opvatting van hen. Wij echter worden door de Geest in vele Schriftpassages aangespoord om uit te kijken naar de opstanding van ons vlees.

Paulus bijvoorbeeld verklaart dat de doop een garantiebewijs is van de toekomstige opstanding.1 Niet minder nodigt het heilig avondmaal ons uit om er vertrouwen in te hebben, als we de symbolen van de geestelijke genade in onze mond krijgen. En Paulus waarschuwt ons dat wij onze ledematen als wapens in dienst moeten stellen tot gehoorzaamheid aan rechtvaardigheid. Dat zou niets te betekenen hebben als daar niet bijkwam wat hij later toevoegt: ‘Hij die Christus uit de doden heeft opgewekt, zal ook jullie sterfelijke lichamen levend maken.’2 Immers, wat zouden we er mee opschieten als we onze voeten, handen, ogen en tong ter beschikking stellen tot gehoorzaamheid aan God, als zij nooit delen in de vrucht en het loon daarvan?

Paulus bevestigt dat duidelijk met zijn eigen woorden: ‘Het lichaam is niet voor ontucht, maar voor de Heer. En de Heer is er voor het lichaam. En Hij die Christus opgewekt heeft, zal ook ons opwekken door zijn kracht.’ Nog duidelijker is wat volgt: onze lichamen zijn tempels van de Heilige Geest en ledematen van Christus.3 Ondertussen zien we dat Paulus de opstanding verbindt met kuisheid en heiligheid, net zoals hij even later de prijs van de verlossing ook ons lichaam laat omvatten. Het zou ook niet logisch zijn als het lichaam van Paulus, waarin hij de tekenen van Christus gedragen heeft4 en waarin hij Christus geweldig verheerlijkt heeft, beroofd zou worden van de overwinningskrans van de beloning. Vandaar ook dat hij roemt: ‘Wij verwachten de redder uit de hemel, die ons vernederde lichaam gelijk zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam.’5 En als het waar is dat wij door veel verdrukking Gods koninkrijk moeten binnengaan,6 dan zou het niet logisch zijn als het lichaam zou worden tegengehouden. Want God traint dat lichaam onder de kruisbanier en tooit het met de lof van de overwinning.

Daarom is er onder de heiligen nooit enige twijfel gerezen over dit onderwerp. Nee, zij hadden de hoop dat ze metgezellen zouden zijn van Christus. Hij neemt alle verdrukkingen waarmee zij getest worden zelf op zich, om te leren dat ze levend maken. Ja, ook de heilige aartsvaders onder de wet heeft God door een uiterlijk ritueel getraind in dit geloof. Want wat was anders de bedoeling van de gebruikelijke manier van begraven, zoals we eerder al gezien hebben, dan om hen te laten weten dat er een nieuw leven klaarlag voor het begraven lichaam? Dat was ook de bedoeling van de specerijen en andere tekenen van onsterfelijkheid. Net als offers hielpen die om de duistere leer te verduidelijken. En die gewoonte is niet voortgekomen uit bijgeloof. Want we zien dat de Geest niet minder ijverig vertelt over begrafenissen dan over de belangrijkste geloofsmysteries. En Christus beveelt ons het begraven aan als een meer dan gewone plicht.7 Dat doet Hij vast en zeker alleen omdat dat de ogen van het graf, dat alles verteert en vernietigt, opheft naar het mooie toneel van de vernieuwing.

Bovendien, dat de aartsvaders geprezen worden omdat ze dit ritueel zo ijverig uitvoerden, bewijst duidelijk genoeg dat het voor hen een bijzonder kostbaar hulpmiddel geweest is voor hun geloof. Immers, Abraham zou niet zo zorgvuldig gezorgd hebben voor de begrafenis van zijn vrouw,8 als de godsdienst hem niet voor ogen gestaan had en een nut dat verder reikte dan de aarde: door het dode lichaam van zijn vrouw te tooien met de tekenen van de opstanding zou hij het geloof van hemzelf en van zijn gezin versterken. Een nog duidelijker bewijs daarvan zie je in het voorbeeld van Jacob. Om tegenover zijn nakomelingen te getuigen dat zelfs de dood geen eind maakte aan zijn hoop op het beloofde land, beval hij dat zijn botten daarheen teruggebracht moesten worden.9 Ik vraag je, als hij in een nieuw lichaam gekleed had moeten worden, zou het dan geen belachelijk bevel geweest zijn dat hij gaf over zijn stof dat vernietigd zou worden?

Kortom, als we de Schrift enig gezag toekennen, kunnen we van geen enkele leer een duidelijker of zekerder bewijs wensen. Zelfs voor kinderen is het duidelijk dat de woorden ‘opstaan’ en ‘opwekken’ dit betekenen. Immers, als iets nu pas geschapen wordt, zeggen we niet dat het weer opstaat. En dan zou ook niet overeind blijven wat Christus zegt: ‘Niets wat de Vader Mij gegeven heeft, zal verloren gaan. Ik zal het op de laatste dag opwekken.’10 Ook het woord ‘slapen’ wijst op hetzelfde. Dat woord slaat alleen op het lichaam. Daarom heten begraafplaatsen in het Grieks ook koimeteria – ‘slaapplaatsen’.

Nu moet ik alleen nog iets zeggen over wat de opstanding nu eigenlijk inhoudt. Ik zeg ‘iets’, want Paulus noemt het een mysterie en roept ons op tot zelfbeheersing.11 Hij houdt ons in toom om te voorkomen dat we ongebonden te vrij en te scherpzinnig gaan filosoferen.

Om te beginnen moeten we vasthouden aan wat ik gezegd heb: wat de substantie betreft, zullen we opstaan in hetzelfde vlees dat we nu aan hebben. Maar wat betreft de hoedanigheid, zal het ander vlees zijn. Net zoals het vlees van Christus: het was hetzelfde vlees was dat geofferd was. Toch schitterde het na zijn opstanding met andere gaven, alsof het heel ander vlees was.

Paulus verduidelijkt dat met voorbeelden uit het dagelijks leven. Het vlees van mensen en van dieren heeft wel dezelfde substantie, maar niet dezelfde hoedanigheid. En sterren hebben allemaal dezelfde materie, maar een verschillende helderheid. En zo leert de apostel dat wij dezelfde lichaamssubstantie zullen houden, maar dat er toch iets zal veranderen. De toestand van ons vlees zal veel heerlijker zijn. Omdat we zullen opstaan, zal ons vergankelijke lichaam dus niet omkomen en verdwijnen. Nee, het zal de vergankelijkheid uittrekken en onvergankelijkheid aantrekken.12

En God heeft met zijn wil de beschikking over alle elementen. Daarom kan geen enkele moeilijkheid Hem beletten de aarde, het water en het vuur te bevelen terug te geven wat door hen verteerd lijkt te zijn. Dat verklaart ook Jesaja, al doet hij dat niet zonder een figuurlijke manier van spreken: ‘Kijk, de HEER komt uit zijn plaats om de onrechtvaardigheid van de aarde betaald te zetten. En de aarde zal haar bloed onthullen en haar gedoden niet langer bedekt houden.’13

Maar we moeten letten op het verschil tussen degenen die al lang gestorven zijn en degenen die op die dag nog in leven blijken te zijn. Immers, Paulus verklaart: we zullen niet allemaal inslapen, maar we zullen wel allemaal veranderd worden.14 Dat wil zeggen: er hoeft geen tijd te verlopen tussen het moment van de dood en het begin van het tweede leven. Want in een punt in de tijd, in een ogenblik, zal de klank van de bazuin doordringen om de doden onvergankelijk op te wekken. Maar de levenden zullen door een plotselinge verandering gevormd worden tot dezelfde heerlijkheid.

Ergens anders troost Paulus de gelovigen die sterven moeten dat degenen die dan nog in leven zullen zijn niet voor de doden uit zullen gaan. Nee, degenen die in Christus ingeslapen zijn, zullen juist eerst opstaan.15

Misschien brengt iemand daartegen in dat de apostel zegt dat alle mensen bestemd zijn om eenmaal te sterven.16 Maar dat is gemakkelijk op te lossen: als de toestand van de natuur veranderd wordt, is dat een soort dood en dat kun je best zo noemen. En daarom zijn deze twee dingen heel goed met elkaar te rijmen: door de dood wordt iedereen vernieuwd als ze het sterfelijke lichaam uittrekken. Maar als die plotselinge verandering plaats heeft, is het toch niet nodig dat lichaam en ziel gescheiden worden.

1Kolossenzen 2:12

2Romeinen 6:13; Romeinen 6:19; Romeinen 8:11

31 Korinthiërs 6:13-19

4Galaten 6:17

5Filippenzen 3:20-21

6Handelingen 14:22

7Mattheüs 26:10

8Genesis 23

9Genesis 47:30

10Johannes 6:39

111 Korinthiërs 15:51

121 Korinthiërs 15:39-41; 1 Korinthiërs 15:51-54

13Jesaja 26:21

141 Korinthiërs 15:51

151 Thessalonicenzen 4:15-16

16Hebreeën 9:27

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in