3.25.6 – De ziel gaat naar Christus

0
85

Naast deze dwaasheden hebben nieuwsgierige mensen nog twee verkeerde dwaasheden ingevoerd. Sommigen dachten dat de ziel samen met het lichaam zal opstaan, alsof de hele mens zou sterven. Anderen gaven toe dat de ziel onsterfelijk is. Maar zij dachten dat die in een nieuw lichaam gekleed zal worden. Daarmee ontkennen ze de opstanding van het vlees.

De eerste dwaasheid heb ik al kort aangestipt toen ik het had over de schepping van de mens. Daarom ben ik er nu tevreden mee om er opnieuw op te wijzen wat voor beestachtige dwaling het is om van de ziel een vluchtige ademtocht te maken die alleen maar in het vergankelijke leven het lichaam in beweging houdt. De ziel is naar Gods beeld geschapen! Bovendien vernietig je daarmee te tempel van de Heilige Geest. En tenslotte beroof je juist dat deel van ons waarin de goddelijkheid het meest schittert en waarin de tekenen zichtbaar zijn van de onsterfelijkheid van deze gave. Dan is het lichaam er beter aan toe dan de ziel!

De Schrift leert iets heel anders. Die vergelijkt het lichaam met een hut en zegt dat wij daaruit verhuizen als we sterven. Want de Schrift taxeert ons volgens het deel dat ons onderscheidt van de redeloze dieren. Daarom zegt Petrus, als hij dichtbij de dood gekomen is, dat de tijd gekomen is dat hij zijn tent zal neerleggen.1 En als Paulus het heeft over de gelovigen, zegt hij dat ons aardse huis wordt afgebroken, maar dat wij dan een gebouw in de hemel hebben. En dan voegt hij eraan toe dat we nog niet bij de Heer wonen zolang we nog in het lichaam blijven, maar dat we verlangen naar Gods aanwezigheid als het lichaam afwezig is.2 Als de ziel het lichaam niet overleeft, wat wil het dan zeggen dat de ziel geniet van Gods aanwezigheid als het losgemaakt is van het lichaam?

Maar de apostel maakt aan alle twijfel een eind. Hij leert dat we verzameld worden bij de geesten van de rechtvaardigen.3 Met die woorden bedoelt hij dat we verenigd worden met de heilige aartsvaders die ook gestorven zijn en die met ons dezelfde vroomheid dienen. Dus we kunnen alleen Christus’ ledematen zijn, als we met hen verenigd worden. En als de ziel, losgemaakt van het lichaam, haar wezen niet zou behouden en het geluk van de heerlijkheid niet zou kunnen bevatten, dan zou Christus ook niet tegen de moordenaar gezegd hebben: ‘Vandaag zul jij met Mij in het paradijs zijn.’4

Als we op zo duidelijke Schriftbewijzen vertrouwen, hoeven we dus niet te aarzelen om onze ziel naar Christus’ voorbeeld bij God aan te bevelen, of naar het voorbeeld van Stefanus aan Christus toe te vertrouwen. Christus wordt niet voor niets de trouwe herder en opziener genoemd van de zielen.5

Verder is het niet toegestaan en ook niet nuttig om nieuwsgierig onderzoek te doen naar hoe de ziel er in de tussentijd aan toe is. Velen kwellen zich zeer door de vraag te stellen op welke plek ze zijn en of ze nu al van de hemelse heerlijkheid genieten of nog niet. Maar het is dwaas en brutaal om naar onbekende dingen verder onderzoek te doen dan wat God ons toestaat om te weten. De Schrift zegt dat Christus bij de zielen aanwezig is en hen opneemt in het paradijs, zodat ze getroost worden.6 Ook zegt de Schrift dat de zielen van de verworpenen kwellingen lijden zoals ze verdiend hebben. Maar verder gaat de Schrift niet. Welke leraar of leermeester kan ons dan openbaren wat God zelf verborgen heeft?

De vraag naar de plek is even dwaas als zinloos. Want we weten dat de ziel geen afmetingen heeft van lengte en breedte, zoals het lichaam. De gelukkige vergadering van de heilige geesten wordt ‘de schoot van Abraham’ genoemd.7 Het is voor ons genoeg dat we uit deze ballingschap ontvangen worden door de gezamenlijke voorvader van alle gelovigen, zodat hij ons kan laten delen in de vrucht van zijn geloof.

Ondertussen beveelt de Schrift overal dat we vol verwachting moeten uitkijken naar Christus’ komst. Daarom moeten we tevreden zijn met deze grenzen die God zelf ons voorschrijft: nadat de zielen van de vromen de zware strijd volbracht hebben, komen ze in de rust van het geluk. Daar kijken ze in gelukkige blijdschap uit naar het genot van de beloofde heerlijkheid. Zo blijft alles vol verwachting totdat Christus, de verlosser, verschijnt.

En er is geen twijfel aan dat de verworpenen hetzelfde lot treft als Judas aan de duivels toeschrijft: ze worden met ketenen gebonden gehouden totdat ze meegesleurd worden naar de straf waartoe ze veroordeeld zijn.

12 Petrus 1:14

22 Korinthiërs 5:1-8

3Hebreeën 12:23

4Lucas 23:43

5Lucas 23:46; Handelingen 7:58; 1 Petrus 2:25

6Johannes 12:32

7Lucas 16:22

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in