3.25.5 – Begraven als teken van de opstanding en de dwaling van de chiliasten

0
119

Het verstand van de mensen zou continu in beslag genomen moeten worden door hier over na te denken. Toch heeft men de dood het eind van alles genoemd en de ondergang van de mens. Alsof men opzettelijk elke herinnering aan de opstanding wilde uitwissen! Natuurlijk heeft Salomo het over de algemeen aanvaarde opinie als hij zegt dat een levende hond beter is dan een dode leeuw. En ergens anders: ‘Wie weet of de adem van de mens opstijgt naar boven en de adem van de dieren afdaalt naar beneden?’1 In alle tijden heeft deze onnozele domheid huisgehouden. Zelfs tot in de kerk is die doorgedrongen! Want de sadduceeën hebben openlijk durven beweren dat er geen opstanding is, dat de ziel onsterfelijk is.

Maar deze grove onwetendheid mag niemand vrijpleiten. Daarom hebben de ongelovigen door de ingeving van de natuur zelf altijd een beeld van de opstanding voor ogen gehad. Want waarom anders de heilige en onschendbare gewoonte om te begraven? Waarom anders dan als een onderpand van nieuw leven?

En je mag hier niet tegen inbrengen dat die gewoonte ontstaan is uit een dwaling. Want het begraven heeft altijd een gewijd karakter gehad bij de heilige aartsvaders. En God heeft gewild dat diezelfde gewoonte bleef bestaan bij de heidenen. Het hun voor ogen gestelde beeld van de opstanding moest hen wekken in hun laksheid. Weliswaar heeft dat ritueel niets opgeleverd. Maar toch is het voor ons goed om verstandig te kijken naar het doel ervan. Want het is een zwaarwegend argument tegen hun ongeloof dat alle mensen samen erkend hebben wat niemand geloofde.

Toch heeft de satan niet alleen de zinnen van de mensen afgestompt, zodat ze samen met de lichamen ook de herinnering aan de opstanding zouden begraven. Hij heeft ook geprobeerd dit leerstuk door verschillende verzinsels te bederven, zodat het uiteindelijk verloren zou gaan. Ik laat liggen dat hij al in de tijd van Paulus de opstanding begon te bestrijden. Even later volgden de chiliasten. Zij beperkten het rijk van Christus tot duizend jaar. Maar hun verzinsel is zo kinderachtig het het niet nodig is het te weerleggen. Ze worden ook niet gesteund door de Openbaring van Johannes. Natuurlijk wilden ze op basis daarvan hun dwaling een schijn van waarheid geven.2 Maar het getal duizend slaat niet over het eeuwige geluk van de kerk, maar slechts op de verschillende vormen van onrust die de kerk in haar strijd op aarde nog te wachten stonden. Bovendien roept heel de Schrift dat er geen eind zal komen aan het geluk van de uitverkorenen en evenmin aan de straf van de verworpenen.3

Verder moeten we alle dingen die zich aan onze blik onttrekken en ons begrip ver te boven gaan óf geloven op basis van zekere uitspraken van God, óf volledig afwijzen. Degenen die Gods kinderen duizend jaar toekennen om te genieten van de erfenis van het toekomstige leven, beseffen niet met wat voor belediging ze Christus en zijn rijk brandmerken. Want als Gods kinderen niet gekleed worden in onsterfelijkheid, dan is dus ook Christus zelf niet opgenomen in onsterfelijke heerlijkheid. Gods kinderen zullen immers veranderd worden naar zijn heerlijkheid. Als hun geluk eindig is, dan is Christus’ koninkrijk dus tijdelijk. Want daar is het op gebaseerd. Kortom, deze mensen zijn totaal onwetend in alles wat met God te maken heeft, óf ze proberen slinks en kwaadaardig heel Gods genade en Christus’ kracht aan het wankelen te brengen. De vervulling daarvan ligt nergens anders in dan hierin: nadat de zonde is uitgewist en de dood verslonden, wordt het eeuwige leven volledig hersteld.

Zelfs een blinde kan zien wat voor onzin het is als deze mensen zeggen dat ze bang zijn dat je God te veel wreedheid toeschrijft als de verworpenen zouden worden overgegeven aan eeuwige straffen. Dus de Heer zou onrecht doen als Hij zijn koninkrijk afpakt van degenen die er met hun ondankbaarheid zelf voor gezorgd hebben dat ze dat koninkrijk niet waard zijn?

Maar hun zonden zijn maar tijdelijk! Dat geef ik toe. Maar zij hebben met hun zonden Gods majesteit en ook zijn gerechtigheid geschonden. En die zijn eeuwig. Het is dus terecht dat er geen eind komt aan de herinnering aan hun onrechtvaardigheid. Maar dan is de straf erger dan de misdaad!Het is echter onacceptabele laster, als je Gods majesteit zo laag schat en niet belangrijker vindt dan de ondergang van één ziel.

Maar laat die praatjesmakers hun gang maar gaan. Want ik moet niet de schijn wekken dat ik, in tegenstelling met wat ik vooraf gezegd heb, hun dwaasheid een weerlegging waard vind.

1Prediker 9:4; Prediker 3:21

2Openbaring 20:4

3Mattheüs 25:41-46

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in