3.25.3 – Christus’ opstanding als spiegel van onze opstanding

0
157

Dit onderwerp is zo belangrijk, dat alleen dat al onze aandacht op scherp moet zetten. Paulus stelt immers niet voor niets dat als er geen doden opstaan, heel het evangelie zinloos en vals is. Want dan zouden wij er nog ellendiger aan toe zijn dan alle andere mensen, omdat we bloot staan aan de haat en beledigingen van velen en elk uur in gevaar verkeren.1 Sterker nog, we zijn dan net schapen bestemd voor de slacht. En daarom zou het gezag van het evangelie onderuit gaan. Niet slechts voor een deel, maar volledig, inclusief onze adoptie tot kinderen en de daadwerkelijke voltooiing van onze redding. Dit onderwerp is dus het meest serieus van allemaal. Daarom moeten we ons er zo ijverig op concentreren, dat we onze concentratie niet verliezen, hoe lang het ook duurt.

Wat over dit onderwerp in het kort behandeld moest worden, heb ik tot dit moment uitgesteld. Zo kunnen de lezers, als ze Christus, de bewerker van de volmaakte redding, hebben aangenomen, hoger opstijgen. En dan mogen ze weten dat Hij in hemelse onsterfelijkheid en heerlijkheid gekleed is met de bedoeling dat heel het lichaam gelijkvormig wordt aan het hoofd. Net zoals de Heilige Geest de persoon van Christus nu en dan presenteert als voorbeeld van de opstanding.

Het is moeilijk te geloven dat lichamen, als ze verteerd en vergaan zijn, als het hun tijd is ooit weer zullen opstaan. Al hebben veel filosofen verzekerd dat de ziel onsterfelijk is, toch stemden maar weinigen in met de opstanding van het vlees. Dat valt weliswaar niet te verontschuldigen. Maar het herinnert ons er wel aan dat de opstanding voor mensen te moeilijk is om te bevatten. Om ons in het geloof zo’n grote hindernis te laten overwinnen, verschaft de Schrift twee hulpmiddelen. Het ene ligt in de overeenkomst met Christus. Het andere in Gods almacht.

Telkens als het over de opstanding gaat, moet ons dus het beeld van Christus in gedachten komen. Hij heeft onze natuur aangenomen en daarin de loop van het sterfelijk leven volledig afgelegd. Hij heeft de onsterfelijkheid bereikt en nu vormt Hij voor ons een onderpand van de toekomstige opstanding. Want in alle ellende die ons omringt, dragen we zijn dood in ons vlees, zodat zijn leven in ons geopenbaard zal worden.2

En het is niet toegestaan om Hem van ons te scheiden. Dat is zelfs niet mogelijk zonder Hem in stukken te scheuren. Vandaar dat Paulus zo redeneert: ‘Als er geen doden opstaan, dan is Christus ook niet opgestaan.’3 Want hij gaat bij voorbaat uit van dit principe: Christus was niet alleen voor zichzelf onderworpen aan de dood en heeft niet alleen voor zichzelf door zijn opstanding de dood overwonnen. Nee, in het hoofd is begonnen wat voltooid moet worden in alle ledematen, volgens ieders rang en positie.

Het zou immers niet juist zijn als zij in alles gelijk zouden worden aan Hem. In Psalm 16 staat: ‘U zult niet toelaten dat uw zachtmoedige bederf ziet.’4 Dit vertrouwen slaat weliswaar voor een deel op ons, in de mate waarin ons dat gegeven is. Toch is dit alleen daadwerkelijk vervuld in Christus. Hij heeft zijn lichaam volledig teruggekregen, helemaal vrij van vertering.

Maar we moeten er dus niet aan twijfelen dat we mogen delen in de gelukkige opstanding met Christus. En we moeten met dit onderpand tevreden zijn. Daarom verzekert Paulus uitdrukkelijk dat Christus in de hemel zit en op de laatste dag als rechter zal komen om ons onaanzienlijke en vernederde lichaam gelijk te maken aan zijn verheerlijkt lichaam.5

Ergens anders leert hij ook dat God zijn Zoon niet alleen uit de dood heeft opgewekt om een bewijs te geven van zijn kracht. Nee, Hij heeft het ook gedaan om in ons als gelovigen dezelfde krachtige werking van de Geest te laten zien. Daarom noemt Paulus die Geest het leven. Hij woont in ons omdat Hij ons gegeven is met het doel om in ons levend te maken wat sterfelijk is.6

Ik stip kort aan wat ik ook uitgebreider zou kunnen behandelen. En het verdient het ook om schitterender versierd te worden. Maar toch vertrouw ik erop dat vrome lezers in weinig woorden genoeg materiaal vinden dat nodig is om hun geloof op te bouwen.

Christus is dus opgestaan om ons met Hem te laten delen in het toekomstige leven. De Vader heeft Hem opgewekt, omdat Hij het hoofd was van de kerk waar Hij zich op geen enkele manier vanaf laat rukken. Hij is opgewekt door de kracht van de Geest. Ook wij hebben deel aan die Geest, zodat Hij voor ons de taak van het levend maken kan uitvoeren. Kortom, Christus is opgewekt om de opstanding en het leven te zijn.

En ik heb gezegd dat in deze spiegel voor ons een levend beeld van de opstanding zichtbaar is. Daarom moet Hij ook voor ons een vaste basis zijn om ons hart op te laten steunen. Als het ons maar niet irriteert of verdriet doet als het te lang duurt. Want het is niet aan ons om naar eigen goeddunken te bepalen hoe lang iets mag duren. Nee, we moeten geduldig wachten tot God op zijn tijd zijn rijk weer opricht. Daarop slaat deze waarschuwing van Paulus: ‘De eerste vrucht is Christus. Daarna degenen die van Christus zijn. Ieder op zijn beurt.’7

Verder mag er geen discussie ontstaan over Christus’ opstanding, waar de opstanding van ons allemaal op gebaseerd is. Daarom moeten we zien op hoeveel verschillende manieren Hij ons ervan verzekerd heeft dat Hij echt is opgestaan. Eigenwijze mensen zullen lachen om het verhaal dat de evangelisten, als om een kinderlijk komediespel. Want wat voor waarde moet je nu hechten aan het nieuws dat gebracht wordt door bangelijke vrouwtjes en dat later bevestigd wordt door leerlingen die haast uitzinnig waren? Had Christus niet beter glorieuze tekenen van zijn overwinning kunnen opstellen midden in de tempel of op het marktplein? Waarom bewijst Hij niet ook aan de priesters en aan heel Jeruzalem dat Hij weer leven geworden is? Nee, de getuigen die Hij kiest, zijn zulke getuigen dat onheilige mensen hen nauwelijks als geschikt zullen beschouwen.

Mijn antwoord is dat dat nieuws in het begin inderdaad zo zwak was dat je het kon minachten. Maar toch is dit allemaal geleid door Gods wonderlijke voorzienigheid. Daardoor werden degenen die kort daarvóór nog uitzinnig waren van angst naar het graf getrokken, voor een deel door liefde voor Christus en vrome ijver en voor een deel door hun ongeloof. Dat was niet alleen om ervoor te zorgen dat ze ooggetuigen zouden zijn. Het was ook om ervoor te zorgen dat ze engelen hetzelfde hoorden zeggen als wat ze met hun ogen zagen. Hoe zouden wij hen van ongeloofwaardigheid kunnen verdenken? Ze dachten zelf ook dat wat ze van de vrouwen gehoord hadden een fabel was, totdat ze zelf aanwezig waren en zagen dat het waar was!8

Maar het is niet vreemd dat heel het volk en de stadhouder zelf Christus niet te zien kregen en ook geen andere bewijzen kregen. Want ze waren al meer dan voldoende overtuigd! Het graf wordt verzegeld, er staan wachtposten, het lichaam is op de derde dag niet te vinden. Door geld omgekocht, verspreiden de soldaten het gerucht dat de leerlingen het lichaam weggeroofd hebben. Alsof die in staat waren een menigte op de been te brengen of over wapens beschikten! Alsof zij getraind waren om zoiets aan te durven! Als de soldaten niet genoeg moed hadden om hen te verjagen, waarom hebben ze hen dan niet achtervolgd, om met hulp van het volk sommigen te arresteren? Werkelijk, Pilatus heeft Christus’ opstanding met zijn zegelring bekrachtigd! En de wachters die bij het graf gezet waren, hebben met hun zwijgen of liegen diezelfde opstanding verkondigd!9

Ondertussen weerklonk de stem van de engelen: ‘Hij is opgestaan! Hij is hier niet!’ Hun hemelse glans laat duidelijk zien dat het geen mensen, maar engelen zijn.10

Daarna heeft Christus alle twijfel weggenomen die er misschien nog over was. Want de leerlingen hebben Hem meerdere keren gezien. Ze hebben zelfs zijn voeten en handen aangeraakt. En hun ongeloof helpt niet weinig om ons geloof te versterken. Hij heeft in hun midden gesproken over de mysteries van Gods koninkrijk. En ten slotte is Hij opgevaren naar de hemel terwijl zij toekeken.11

En Hij heeft zich niet alleen aan de elf apostelen laten zien. Nee, Hij is gezien door meer dan vijfhonderd mensen tegelijk.12 Verder heeft Hij de Heilige Geest gezonden. Daarmee heeft Hij niet alleen een overtuigend bewijs gegeven dat Hij leeft, maar ook dat Hij de hoogste macht heeft. Dat had Hij ook van tevoren gezegd: ‘Het is goed voor jullie dat ik wegga. Anders zal de Heilige Geest niet komen.’13 Bovendien is Paulus niet onderweg neergeworpen door de kracht van een dode. Nee, Hij merkte dat degene tegen wie hij streed’, de hoogste macht had!14 Aan Stefanus verscheen Christus met een ander doel: de zekerheid dat Hij leefde moest Stefanus’ angst voor de dood overwinnen.15

Als je geen geloof hecht aan zoveel ontwijfelbare bewijzen, is dat niet slechts een teken van ongeloof. Het is een teken van slechte en waanzinnige koppigheid!

11 Korinthiërs 15:13-30

22 Korinthiërs 4:8-10

31 Korinthiërs 15:13; 1 Korinthiërs 15:16

4Psalm 16:10; Handelingen 2:27

5Filippenzen 3:20-21

6Kolossenzen 3:4; Romeinen 8:11

71 Korinthiërs 15:23

8Marcus 16:11-14

9Mattheüs 27:65; Mattheüs 28:11-15

10Mattheüs 28:6; Marcus 16:6; Lucas 24:6

11Lucas 24:38-43; Lucas 24:51; Handelingen 1:9

121 Korinthiërs 15:6

13Johannes 16:7

14Handelingen 9:4

15Handelingen 7:55

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in