3.24.9 – Het voorbeeld van Judas

0
139

Dat is ook de reden voor de uitzondering die ik kort hiervóór noemde: Christus zegt dat Hij niemand verloren heeft, behalve de zoon van de ondergang.1 Weliswaar is dat een oneigenlijke manier van spreken, maar toch is het zeker niet onduidelijk. Want Judas werd niet onder de schapen van Christus meegeteld omdat hij dat ook echt was, maar omdat hij de plaats van een schaap innam.

Ergens anders verklaart de Heer dat Hij Judas samen met de apostelen had uitgekozen. Maar dat slaat alleen op de bediening. Hij zegt: ‘Twaalf heb ik uitgekozen en een van hen is een duivel.’2 Dat wil zeggen: Hij had hem uitgekozen voor de taak van apostel. Maar als de Heer het heeft over de uitverkiezing voor het behoud, dan houdt Hij Judas ver verwijderd van het aantal van de uitverkorenen: ‘Ik heb het niet over jullie allemaal. Ik weet wie ik uitgekozen heb.’3 Als iemand het woord ‘uitkiezen’ in beide passages in dezelfde betekenis opvat, dan zal hij zichzelf op een ellendige manier verstrikken. Maar als je het verschil ziet, dan is het zo duidelijk als wat!

Gregorius de Grote doet daarom heel slecht en gevaarlijk. Hij leert dat we ons alleen bewust zijn van onze roeping. Of we uitverkoren zijn, kunnen we niet zeker weten. Daardoor zet hij iedereen aan tot angst en beven, ook omdat hij dit argument gebruikt: we weten wel hoe we er vandaag aan toe zijn, maar niet hoe we er morgen aan toe zullen zijn.4 Maar bij die passage laat hij duidelijk blijken hoe het komt dat hij op deze klip gelopen is. Want hij laat de uitverkiezing afhangen van onze daden. Daarom had hij reden genoeg om het hart neerslachtig te maken. Hij kon het hart niet versterken, omdat hij het niet van zichzelf wegleidde naar het vertrouwen op Gods goedheid.

Hierin proeven gelovigen iets van wat ik in het begin gesteld heb: als je op de juiste manier denkt over de voorbestemming, brengt die het geloof niet aan het wankelen, maar wordt het daar juist heel goed door versterkt.

Toch ontken ik niet dat de Geest zijn woorden soms aanpast aan ons beperkte verstand. Bijvoorbeeld als Hij zegt: ‘Ze zullen niet behoren tot de kring van mijn volk en niet worden opgeschreven in de lijst van mijn dienaren.’5 Alsof God pas net begon om in het boek van het leven op te schrijven wie Hij beschouwt als de zijnen. Terwijl we toch weten dat – zelfs Christus getuigt daarvan – de namen van Gods kinderen vanaf het begin in het boek van het leven opgeschreven staan.6 Maar deze woorden duiden simpelweg op de afwijzing van degenen die de voornaamsten leken te zijn onder de uitverkorenen. Zo wordt het ook gezegd in Psalm 69: ‘Laat hen geschrapt worden uit het boek van het leven en laat hen niet opgeschreven worden samen met de rechtvaardigen.’7

1Johannes 17:12

2Johannes 6:70

3Johannes 13:18

4Gregorius de Grote, Homiliae super evangeliis 38,14

5Ezechiël 13:9

6Lucas 1:20; Filippenzen 4:3

7Psalm 69:28

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in