3.24.8 – Algemene en speciale roeping

0
193

Christus zegt dat er velen geroepen zijn, maar dat er weinigen zijn uitverkoren.1 Op deze manier wordt deze uitspraak heel slecht begrepen. Er is niets dubbelzinnigs aan als we vasthouden aan wat uit het voorgaande duidelijk zou moeten zijn: er zijn twee soorten roeping.

Want er is een algemene roeping. Daarmee nodigt God door middel van de uiterlijke prediking van het Woord iedereen op dezelfde manier bij zich. Ook degenen aan wie Hij die roeping presenteert als een doodsgeur2 en een reden om ze extra zwaar te veroordelen.

En er is ook een andere, speciale roeping. Die keurt God meestal alleen waard aan de gelovigen. Dan verlicht Hij hen vanbinnen door zijn Geest. Zo bewerkt Hij dat het gepredikte Woord zich in hun hart vestigt. Maar soms laat Hij ook anderen daarin delen. Die verlicht Hij slechts voor een tijd. Daarna verlaat Hij hen, in overeenstemming met wat ze met hun ondankbaarheid verdienen, en slaat Hij hun met nog grotere blindheid.

Nu zag de Heer dat het evangelie wijd en zijd verkondigd werd, maar door heel veel mensen werd geminacht en door maar weinig mensen op waarde werd geschat. Daarom beschrijft Hij ons God in de persoon van een koning die een feestmaal aanricht. Hij stuurt overal boden heen om een grote menigte uit te nodigen. Maar hij kan slechts heel weinig mensen overhalen om te komen. Want ieder verzint een excuus waarom ze verhindert zijn. Omdat zij weigeren, ziet hij zich dus uiteindelijk genoodzaakt alle mogelijke mensen van de straat uit te nodigen. Tot hier toe moeten we de gelijkenis opvatten als gaand over de uiterlijke roeping.3 Dat is duidelijk voor iedereen.

Daarna voegt Christus eraan toe dat God zich gedraagt als een goed gastheer. Hij gaat de tafels langs om zijn gasten vriendelijk te verwelkomen. Dan vindt Hij iemand die geen bruiloftskleed draagt. Hij tolereert absoluut niet dat die met zijn vieze kleren het feestmaal onteert.4 Dit stuk moeten we volgens mij opvatten als gaand over degenen die de kerk binnenkomen door belijdenis te doen van hun geloof, maar niet gekleed zijn in de heiliging van Christus. Zulke onteerders zijn als het ware kankers in de kerk. God zal hen niet voor eeuwig verdragen. Nee, Hij zal ze uitwerpen, zoals ze met hun schandelijkheid verdienen.

Van het grote aantal van hen die geroepen zijn, zijn er dus maar weinig uitverkoren. Maar dan gaat het niet om de roeping op grond waarvan volgens mij de gelovigen hun uitverkiezing moeten beoordelen. Want de ene roeping geldt ook voor de goddelozen, maar de andere gaat gepaard met de Geest van de nieuwe geboorte. Die Geest is het onderpand en garantiebewijs van de toekomstige erfenis en daarmee wordt ons hart verzegeld tot de dag van de Heer.5

Kortom, deze huichelaars beroemen zich evengoed op hun vroomheid als degenen die God echt dienen. Daarom zegt Christus dat ze uiteindelijk uitgeworpen zullen worden van de plek die ze ten onrechte innemen. Net zoals er in Psalm 15 gezegd wordt: ‘Heer, wie zal wonen in uw tent? Hij wiens handen onschuldig zijn en wiens hart rein is.’6 En ergens anders: ‘Dat is de generatie van degenen die God zoeken, die het aangezicht zoeken van de God van Jacob.’7 En zo spoort de Geest de gelovigen aan tot verdraagzaamheid. Ze moeten het niet moeilijk te verdragen vinden dat er Ismaëlieten tussen hen in de kerk zitten. Want uiteindelijk zal hun het masker van het gezicht getrokken worden en zullen ze met schande worden uitgeworpen.

1Mattheüs 22:14

22 Korinthiërs 2:15-16

3Mattheüs 22:2-10

4Mattheüs 22:11-13

5Titus 3:5; Efeziërs 1:13-14

6Psalm 15:1; Psalm 24:4

7Psalm 24:6

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in