3.24.7 – Wie echt gelooft, kan nooit meer verloren gaan

0
79

Maar elke dag zijn er mensen die van Christus leken te zijn, die Hem verraden en zich in de ondergang storten. Sterker nog, juist in de passage waar Christus verzekert dat niemand verloren gaat van degenen die de Vader Hem gegeven heeft, maakt Hij toch een uitzondering voor de zoon van de ondergang.1

Dit is inderdaad waar. Maar het is even zeker dat zulke mensen zich nooit aan Christus vastgeklampt hebben met het vertrouwen waarmee volgens mij de zekerheid van onze uitverkiezing bevestigd wordt. ‘Zij zijn bij ons weggegaan,’ zegt Johannes, ‘maar ze hoorden niet bij ons. Want als ze bij ons hadden gehoord, dan zouden ze bij ons gebleven zijn.’2

En ik ontken niet dat ze dezelfde tekenen hebben als de uitverkorenen dat ze geroepen zijn. Maar ik erken absoluut niet dat ze dezelfde zekerheid zouden hebben over hun uitverkiezing die een gelovige van mij moet baseren op het woord van het evangelie. Zulke voorbeelden moeten ons er daarom nooit toe brengen dat we niet rustig zouden steunen op de belofte van de Heer. Hij zegt dat de Vader Hem iedereen gegeven heeft die Hem met een echt geloof aanneemt en dat niemand van hen zal omkomen omdat Hij hun beschermer en herder is.3

Over Judas zal ik het straks hebben.

Paulus raadt gelovigen niet af om simpelweg te vertrouwen. Hij ontraadt alleen de zorgeloosheid af van het vlees. Die gaat gepaard met hoogmoed, arrogantie en minachting van anderen. Die dooft de nederigheid en de vrees voor God uit en zorgt ervoor dat je de genade die je gekregen hebt, vergeet. Want hij heeft het tegen de heidenen. Hun leert hij dat ze de joden niet hoogmoedig en wreed moeten bespotten omdat de joden verstoten en zij in hun plaats gesteld zijn. Hij eist ook vrees, maar geen vrees die hen terneer werpt en aan het wankelen brengt. Nee, hij eist een vrees die ons leert nederig omhoog te kijken naar Gods genade en die niets afdoet aan het vertrouwen op Hem.4 Ik heb dat ergens anders al gezegd.

Bovendien spreekt hij hen niet ieder afzonderlijk aan, maar richt hij zich in het algemeen tot de sekten. Want de kerk was in twee groepen verdeeld en jaloersheid veroorzaakte tweedracht. Daarom waarschuwt Paulus de heidenen dat ze in de plaats gesteld waren van het speciale en heilige volk en dat dat voor hen een reden moest zijn voor vrees en bescheidenheid. Maar toch waren er onder hen veel verwaande mensen van wie het gepoch nodig getemperd moest worden.

Verder hebben we ergens anders gezien dat onze hoop ook de toekomst omvat en reikt tot aan de andere kant van de dood. En niets is zo in strijd met de aard van de hoop als dat we zouden twijfelen over wat er met ons gebeuren zal.

1Johannes 17:12

21 Johannes 2:19

3Johannes 3:16; Johannes 6:39

4Romeinen 11:18-20

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in