3.24.3 – De uitverkiezing is niet pas effectief als je gaat geloven

0
57

We moeten hier echter oppassen voor twee dwalingen. Sommigen maken van de mens een medewerker van God. De uitverkiezing geldt dan pas echt als de mens ermee instemt. De wil van de mens staat volgens hen dus boven Gods plan. Alsof de Schrift zou leren dat ons de mogelijkheid gegeven wordt om te geloven en niet het geloof zelf! Anderen verzwakken de genade van de Heilige Geest niet op deze manier. Maar toch maken ze – ik weet niet om welke reden – de uitverkiezing afhankelijk van wat later komt. Alsof de uitverkiezing twijfelachtig en ineffectief zou zijn zolang die niet door het geloof bevestigd wordt!

Natuurlijk is het duidelijk dat de uitverkiezing voor zover het ons aangaat inderdaad bevestigd wordt. Ook hebben we eerder al gezien dat Gods geheime plan aan het licht komt. Als je zulke uitdrukkingen maar niet anders opvat dan zo: de waarheid van wat ons onbekend was, wordt bewezen en als het ware met een garantiebewijs bezegeld.

Maar het is onjuist als je zegt dat de uitverkiezing pas effectief is als wij het evangelie omhelsd hebben en pas daardoor geldig is. Weliswaar moeten wij daaruit de zekerheid halen dat we uitverkoren zijn. Want als wij tot Gods eeuwige besluiten proberen door te dringen, zal die diepe afgrond ons verzwelgen. Maar als God ons heeft bekend gemaakt dat we uitverkoren zijn, moeten we hoger opstijgen. Want het effect mag de oorzaak niet verduisteren. Immers, de Schrift leert dat wij verlicht zijn omdat God ons heeft uitgekozen. Wat zou dan meer absurd en onwaardig zijn dan dat onze ogen door de glans van dat licht verblind worden, zodat ze weigeren aandacht te schenken aan de uitverkiezing?

Toch ontken ik ondertussen niet dat wij, om zeker te zijn van ons behoud, moeten beginnen bij het Woord. En dat ons vertrouwen er tevreden mee moet zijn dat we God als onze Vader aanroepen. Sommigen hebben het verkeerde verlangen om boven de wolken te vliegen om meer zekerheid te krijgen over Gods plan. Maar dat plan is vlakbij ons, in onze mond en in ons hart.1 Die overmoed moet dus in bedwang gehouden worden door de zelfbeheersing van het geloof. We moeten genoeg hebben aan God als getuige van zijn verborgen genade in zijn uiterlijke Woord. Maar dan mag het kanaal waarlangs het drinkwater in overvloed naar ons toestroomt niet verhinderen dat de bron de eer krijgt die ze verdient.

1Deuteronomium 30:14

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in