3.24.17 – Wij ervaren in Gods wil een tegenstelling die er niet is

0
84

Echter, je zult zeggen: als dit zo is, dan kun je maar weinig vertrouwen op de beloften van het evangelie. Want als ze getuigen van Gods wil, verzekeren ze dat God iets wil dat in strijd is met zijn onschendbaar besluit. Maar dat is absoluut niet zo! Want de beloften van redding zijn weliswaar algemeen. Maar toch zijn ze op geen enkele manier in strijd met de voorbestemming van de verworpenen. Als we onze gedachten maar richten op het effect van die beloften.

We weten dat de beloften pas effectief zijn voor ons, als we ze door het geloof aannemen. Maar als er juist geen geloof is, dan is ook de belofte ongeldig. Als dat de aard van de beloften is, laten we dan eens kijken of deze twee dingen met elkaar in strijd zijn: de Schrift zegt dat God van eeuwigheid bepaald heeft wie Hij met zijn liefde wil omhelzen en over wie Hij zijn woede wil uitoefenen. En Hij verkondigt aan iedereen zonder onderscheid redding. Volgens mij zijn die twee dingen heel goed met elkaar in overeenstemming. Want als Hij zo beloften doet, wil Hij alleen maar zeggen dat zijn barmhartigheid voor iedereen klaarligt, als ze er maar naar verlangen en er een beroep op doen. Maar dat doen alleen degenen die Hij verlicht heeft. En Hij verlicht degenen die Hij voorbestemd heeft om gered te worden. Voor hen, zeg ik, staat het onwrikbaar vast dat de beloften waar zijn. Dus kun je niet zeggen dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen Gods eeuwige uitverkiezing en het getuigenis van zijn genade dat Hij de gelovige aanbiedt.

Maar waarom heeft Hij het over iedereen? Nou, omdat de vromen veiliger kunnen rusten in hun geweten, als ze begrijpen dat er geen enkel onderscheid bestaat tussen zondaren. Er hoeft alleen maar geloof te zijn. En omdat de goddelozen dan niet kunnen doen alsof ze geen uitwijkmogelijkheid hebben, waar ze kunnen ontkomen aan de slavernij van de zonde. Nee, ze wijzen de uitwijkmogelijkheid die hun geboden wordt, af. Aan beide groepen wordt dus Gods barmhartigheid door het evangelie aangeboden. Dus is het het geloof – dat wil zeggen: Gods verlichting – dat onderscheid maakt tussen vromen en goddelozen. De eersten ervaren de effectiviteit van het evangelie. Maar de anderen levert het geen enkele vrucht op. Ook de verlichting zelf heeft Gods eeuwige uitverkiezing als norm.

Mijn tegenstanders halen ook deze klacht van Christus aan: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, hoe vaak heb ik jouw kinderen willen verzamelen, maar je hebt niet gewild.’1 Ook dit biedt hun geen steun. Ik geef toe dat Christus hier niet alleen als mens spreekt. Hij verwijt hun ook dat ze alle eeuwen door zijn genade hebben afgewezen. Maar we moeten Gods wil, waar het hier over gaat, verder definiëren. Immers, we weten best hoe ijverig God zijn best gedaan heeft om dat volk vast te houden en hoe koppig zij, van de eerste tot de laatste, zich hebben overgegeven aan hun dwalende begeerten en geweigerd hebben zich te laten verzamelen. Maar dat betekent nog niet dat Gods plan door de slechtheid van de mensen verijdeld is.

Mijn tegenstanders brengen hiertegen in dat het absoluut niet bij Gods aard past dat Hij een dubbele wil zou hebben. Dat geef ik hun toe. Maar dan moeten ze het wel juist uitleggen. Waarom letten ze niet op al die Schriftbewijzen waar God menselijke emoties aanneemt en zich vernedert beneden zijn majesteit, om zich aan te passen aan onze zwakheid? Hij zegt dat Hij het koppige volk geroepen heeft met uitgestrekte armen,2 dat Hij vroeg en laat moeite gedaan heeft om het bij zich terug te brengen. Willen ze dit allemaal op God toepassen, zonder erop te letten dat dit beeldspraak is? Dan zullen er vele overbodige discussies rijzen. Maar die kunnen door deze ene oplossing beslecht worden: er wordt iets menselijks op God overgedragen.

Trouwens, ik heb ergens anders al een oplossing gegeven die meer dan voldoende is:3 Gods wil is voor ons besef meervoudig. Toch wil Hij in zichzelf geen verschillende dingen. Nee, met zijn rijk geschakeerde wijsheid – zoals Paulus die noemt4 – verbijstert Hij onze zinnen, zolang het ons nog niet gegeven is om te leren zien dat Hij op een wonderlijke manier wil wat nu nog in strijd lijkt te zijn met zijn wil.

Mijn tegenstanders spotten en lasteren ook dat God de Vader is van iedereen en dat het daarom onrechtvaardig is als Hij iemand verwerpt die eerst zelf uit eigen schuld deze straf verdiend heeft. Alsof Gods vrijgevigheid niet zelfs voor varkens en honden geldt! Als het om het menselijke geslacht gaat, dan moeten zij maar eens de vraag beantwoorden waarom God zich verbonden heeft aan één volk, om daar Vader van te zijn. En waarom heeft Hij ook uit dat volk een klein aantal geplukt, als een bloem? Maar hun zin in kwaadspreken verhindert deze lasteraars om te bedenken dat God zijn zon laat opgaan over goeden en over slechten,5 maar dat toch de erfenis voor maar weinig mensen klaarligt. Alleen tegen hen zal eens gezegd worden: ‘Kom, gezegenden van mijn Vader, aanvaard de erfenis van het koninkrijk …’6

Mijn tegenstanders werpen ook tegen dat God niets haat van wat Hij gemaakt heeft. Ook al geef ik hun dat toe, toch blijft dan ongeschonden overeind wat ik leer: God haat de verworpenen en heel terecht! Want ze missen zijn Geest en daarom kunnen ze niets anders voortbrengen dan redenen om veroordeeld te worden. Mijn tegenstanders voegen eraan toe dat er geen verschil is tussen jood en heiden.7 Dus wordt Gods genade zonder onderscheid aan iedereen aangeboden. Zeker! Maar dan moeten ze wel toegeven dat God, zo verklaart Paulus, zowel uit de joden als uit de heidenen mensen roept volgens zijn welbehagen. Hij is niemand iets verplicht.8

Op deze manier wordt ook ontzenuwd wat mijn tegenstanders aanvoeren uit een andere passage: God heeft alles opgesloten onder de zonde om iedereen barmhartig te zijn.9 God wil dat de redding van iedereen die gered wordt, wordt toegeschreven aan zijn barmhartigheid. Toch delen niet alle mensen in deze zegen.

Verder, er is nu van beide kant veel naar voren gebracht. Laten we hier mee eindigen: we moeten samen met Paulus huiveren bij zo’n grote diepte. En als overmoedige tongen ertegen ingaan, dan moeten we ons er niet voor schamen om met Paulus uit te roepen: ‘Mens, wie ben jij, dat je met God in discussie gaat?10 Want Augustinus heeft gelijk als hij zegt dat het verkeerd is om Gods rechtvaardigheid af te meten aan de maat van menselijke rechtvaardigheid.11

1Mattheüs 27:37

2Jesaja 65:2

31.18.3; 3.20.43

4Efeziërs 3:10

5Mattheüs 5:45

6Mattheüs 25:34

7Romeinen 10:12

8Romeinen 9:24

9Romeinen 11:32; Galaten 3:22

10Romeinen 9:20

11Pseudo-Augustinus, De praedestinatione et gratia, 2

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in