Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.24 – Uitverkiezing, roeping en verharding 3.24.13 – God kan alle slechte mensen bekeren, maar wil het niet

3.24.13 – God kan alle slechte mensen bekeren, maar wil het niet

Waarom schenkt God dan de een zijn genade en passeert Hij een ander? Wat betreft de eerste categorie, geeft Lucas de reden: omdat ze bestemd zijn voor het eeuwige leven. Handelingen 13:48 Wat moeten we dan denken van de anderen? Wat anders dan dat God hen passeert omdat zij vaten van de woede zijn, voor oneervol gebruik? We moeten het daarom niet erg vinden om in te stemmen met Augustinus. Hij zegt: ‘God zou de wil van slechte mensen wel ten goede kunnen keren. Want Hij is almachtig. Natuurlijk zou Hij dat kunnen. Waarom doet Hij het dan niet? Omdat Hij het niet wil. Waarom Hij het niet wil, dat is aan Hem.’1 Want wij moeten niet wijzer willen zijn dan ons past.

En dat is veel beter dan met Chrysostomos een uitvlucht zoeken en zeggen dat God degene trekt die wil en zijn hand uitstrekt.2 Want dan lijkt het verschil niet in Gods oordeel te liggen, maar in wat de mens beslist. Het is absoluut niet zo dat een mens uit eigen beweging naar God toe kan gaan. Zelfs de vromen en Godvrezenden hebben nog een speciale ingeving van de Geest nodig. Lydia, de purperverkoopster, vreesde God. Toch moest haar hart geopend worden. Anders zou ze geen aandacht schenken aan Paulus’ onderwijs en er niets mee opschieten. Handelingen 16:14 Dat wordt niet alleen over deze vrouw gezegd. Nee, we moeten weten dat ieders vooruitgang in vroomheid een verborgen werk van de Geest is.

Dit kan echt niet in twijfel getrokken worden: de Heer zendt zijn Woord naar velen die Hij nog blinder wil maken. Want waarom laat Hij zoveel bevelen brengen naar de farao? Hoopte Hij soms dat de farao door de steeds herhaalde boodschappen verzacht zou worden? Nee, voordat God begon, wist Hij al hoe het zou aflopen en heeft Hij dat voorzegd. Hij zei tegen Mozes: ‘Ga en leg hem uit wat Ik wil. Maar Ik zal zijn hart verharden, zodat hij niet zal gehoorzamen.’ Exodus 4:19-21

En ook als God Ezechiël laat opstaan, waarschuwt Hij hem van tevoren dat Hij hem naar een opstandig, koppig volk zendt. Ezechiël 2:3 Want Hij wil voorkomen dat Ezechiël zou schrikken als hij zag dat Hij voor dovemansoren predikte. Ezechiël 12:2 En Hij voorzegt Jeremia dat zijn leer een vuur zal zijn om het volk als stoppels te vernietigen en te verstrooien. Jeremia 1:10; 5:14

Maar nog indringender is de profetie van Jesaja. Want hij wordt zo door de Heer uitgezonden: ‘Ga en zeg tegen de kinderen van Israël: “Hoor en luister, maar begrijp het niet. Kijk en zie, maar neem het niet waar.” Maak het hart van dit volk hard en hun oren zwaar en sluit hun ogen, om te voorkomen dat ze misschien met hun ogen zien, met hun oren horen of met hun hart begrijpen en zich zouden bekeren en genezen zouden worden.’ Jesaja 6:9-10; Mattheüs 13:14-15; Marcus 4:12; Lucas 8:10; Johannes 12:40; Handelingen 28:26-27; Romeinen 11:8 Zie je, hij spreekt tegen hen, maar om hen nog dover te maken. Hij ontsteekt licht, maar om ze nog blinder te maken. Hij presenteert zijn leer, maar om ze daardoor nog dommer te maken. Hij gebruikt een geneesmiddel, maar om te voorkomen dat ze genezen worden. En als Johannes deze profetie citeert, verklaart hij dat de Joden Christus’ leer niet konden geloven, omdat Gods vloek op hen lag. Johannes 12:39-40

Ook dit kan niet tegengesproken worden: aan degenen van wie God niet wil dat ze verlicht worden, geeft Hij zijn leer in raadsels gehuld. Dan levert hun dat niets anders op dan dat ze nog verder afgestompt raken. Want Christus verklaart dat Hij daarom zijn gelijkenissen alleen aan de apostelen uitlegt. Hij had ze uitgesproken tegen de menigte. Maar alleen de apostelen was het gegeven om de mysteries van Gods koninkrijk te kennen. De menigte was het niet gegeven. Mattheüs 13:11

‘Maar,’ zul je zeggen, ‘wat wil de Heer als Hij zijn leer onderwijst en tegelijk zorgt dat het niet begrepen wordt?’ Denk er maar eens over na bij wie de fout ligt. Dan houd je wel op met vragen. Want wat er ook duister is in het Woord, toch is er altijd genoeg licht om voor het geweten van de goddelozen hun schuld te bewijzen.

1Augustinus, De Genesi ad litteram XI, 10,13.

2Chrysostomos, De ferendis reprehensionibus et de mutatione nominum, 3,6.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.

FunctionalOur website uses functional cookies. These cookies are necessary to let our website work.

AnalyticalOur website uses analytical cookies to make it possible to analyze our website and optimize for the purpose of a.o. the usability.

Social mediaOur website places social media cookies to show you 3rd party content like YouTube and FaceBook. These cookies may track your personal data.

AdvertisingOur website places advertising cookies to show you 3rd party advertisements based on your interests. These cookies may track your personal data.

OtherOur website places 3rd party cookies from other 3rd party services which aren't Analytical, Social media or Advertising.