3.24.1 – De roeping is gebaseerd op de uitverkiezing

0
115

Maar om dit onderwerp nog duidelijker te maken, moeten we nu zowel de roeping van de uitverkorenen behandelen als de verblinding en verharding van de goddelozen.

Over het eerste heb ik al iets gezegd,1 toen ik de dwaling weerlegde van degenen die denken dat heel het menselijke geslacht op één lijn staat, omdat de beloften universeel zijn. Maar Gods uitverkiezing is verborgen. Hij maakt die pas openbaar door de roeping. En dat doet Hij niet zonder een keuze te maken. Daarom kun je de roeping in eigenlijke zin een bewijs noemen van de uitverkiezing. ‘Want degenen die Hij van tevoren gekend heeft, die heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om te lijken op het beeld van zijn Zoon. En degenen die Hij daar van tevoren toe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. En degenen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, om hen eens te verheerlijken.’2

Door hen uit te kiezen heeft de Heer de zijnen als zijn kinderen geadopteerd. Maar toch zien we dat ze die grote zegen alleen in bezit krijgen doordat ze geroepen worden. En aan de andere kant dat na ze hun roeping al kunnen genieten van een bepaald deel van hun uitverkiezing. Daarom noemt Paulus de Geest die ze krijgen de Geest van de adoptie tot kinderen en het garantiebewijs en het onderpand van de toekomstige erfenis.3 Want de Geest bevestigt en verzegelt met zijn getuigenis in hun hart de zekerheid van de toekomstige adoptie.

Want de prediking van het evangelie ontspringt weliswaar uit de bron van de verkiezing. Maar toch zou die prediking op zichzelf geen voldoende bewijs zijn van de uitverkiezing. De prediking geldt immers ook verworpenen. Maar God onderwijst de uitverkorenen effectief, om hen tot geloof te brengen, zoals ik hiervóór uit Christus’ woorden heb geciteerd: ‘Wie van God is, heeft de Vader gezien. Niemand anders.’ En: ‘Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die U Mij gegeven hebt.’ Terwijl Hij ergens anders zegt: ‘Niemand kan bij Mij komen als de Vader hem niet trekt.’4

Augustinus heeft deze passage verstandig uitgelegd in deze woorden: ‘De waarheid zegt dat ieder die het geleerd heeft, komt. Dus dan heeft wie niet komt het dus ook niet geleerd. Dat betekent dus niet dat wie komen kan alleen komt als hij het niet wil en niet zelf doet. Nee, het betekent dat ieder die het van de Vader geleerd heeft, niet alleen kan komen, maar ook komt. Daarin zitten dus het voordeel van het kunnen, het verlangen van het willen en het effect van het doen.’5

Ergens anders zegt hij het nog duidelijker: ‘Wat betekent: “Ieder die het gehoord en geleerd heeft van de Vader, komt bij Mij,”6 anders dan: er is niemand die het hoort en leert van de Vader en niet bij Mij komt? Want als ieder die het gehoord en geleerd heeft van de Vader, komt, dan heeft natuurlijk ieder die niet komt, het niet gehoord en geleerd van de Vader. Want als hij het wel gehoord en geleerd had, zou hij komen. Dit onderwijs, waarin je de Vader hoort en leert hoe je bij de Zoon moet komen, staat veraf van de zinnen van het vlees.’

Even later: ‘Deze genade wordt in het verborgen aan het mensenhart toegekend. Een hard hart krijgt het niet. Want je krijgt het zodat de eerdere hardheid van het hart wordt weggenomen. Dus als je vanbinnen de Vader hoort, neemt Hij het hart van steen weg en geeft Hij een hart van vlees.7 Want zo maakt Hij de kinderen van de belofte en de vaten van barmhartigheid die Hij van tevoren bestemd heeft voor de heerlijkheid. Waarom leert Hij dan niet iedereen hoe ze bij Christus moeten komen? Waarom anders dan omdat Hij degenen die Hij het leert, het leert door zijn barmhartigheid, terwijl Hij degenen die Hij het niet leert, het niet leert door zijn oordeel? Want Hij ontfermt zich over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.’8

God bestemt dus tot zijn kinderen degenen die Hij heeft uitgekozen en Hij bestemt zichzelf tot hun Vader. Verder neemt Hij hen op in zijn gezin door hen te roepen. Hij wordt één met hen zodat ze samen één zijn. En als de Schrift de roeping verbindt met de uitverkiezing, geeft de Schrift daarmee duidelijk genoeg aan dat in die roeping niets anders te vinden is dan Gods gratis barmhartigheid. Want als we vragen wie Hij roept en op welke manier, dan antwoordt de Schrift: degenen die Hij heeft uitgekozen. En als je naar de uitverkiezing kijkt, dan zie je daar aan alle kanten alleen maar barmhartigheid.

Ja, hier gaat het om wat Paulus zegt: het hangt er niet van af of iemand wil of loopt, maar of God zich ontfermt.9 En dat moet je niet opvatten zoals degenen altijd doen die het verdelen over Gods genade en het willen en lopen van de mens. Zij leggen het immers zo uit: het verlangen en proberen van de mens betekent op zichzelf niets als Gods genade ze niet voorspoedig maakt. Maar, beweren ze, als ze door Gods zegen geholpen worden, leveren ze ook zelf een bijdrage aan het verwerven van het behoud.

Hun uitvlucht weerleg ik liever met woorden van Augustinus dan met mijn eigen woorden: ‘Als de apostel alleen maar heeft willen zeggen dat het niet alleen afhangt van degene die wil of loopt, maar dat de barmhartige Heer erbij moet komen, dan kun je ook het tegenovergestelde zeggen: het hangt niet alleen af van de barmhartigheid, maar ook de wil en het lopen moeten erbij komen. Maar dat is natuurlijk goddeloos. Dus mogen we er niet aan twijfelen dat de apostel alles toekent aan de barmhartigheid van de Heer en niets over laat voor onze wil en ijver.’10

Zo dacht deze heilige man erover. En ik hecht geen enkele waarde aan het scherpzinnigheidje waarmee mijn tegenstanders komen aandragen: dat Paulus dit niet gezegd zou hebben als wij het niet een beetje zouden kunnen proberen en het een beetje zouden willen. Want hij kijkt niet naar wat de mens kan. Nee, hij zag dat sommigen een deel van het behoud toeschreven aan de ijver van mensen. Daarom heeft hij met het eerste deel van zijn zin hun dwaling veroordeeld en vervolgens het behoud in zijn totaliteit toegekend aan Gods barmhartigheid. En wat doen de profeten anders dan continu Gods gratis roeping verkondigen?

13.22.10-11

2Romeinen 8:29-30

3Romeinen 8:15; Efeziërs 1:13-14; 2 Korinthiërs 1:22; 2 Korinthiërs 5:5

4Johannes 6:46; Johannes 17:6; Johannes 6:44

5Augustinus, De gratia Christi et de peccatio originali contra Pelagianos et Coelestinos 14, 15 en 31

6Johannes 6:45

7Ezechiël 11:19; Ezechiël 36:26

8Romeinen 9:18

Augustinus, De praedestinatione sanctorum 8, 13-14

9Romeinen 9:16

10Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate 9,32

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in