3.22.9 – Thomas van Aquino over de uitverkiezing

0
288

Ik maak me zelfs niet druk om de spitsvondigheid van Thomas van Aquino. Hij beweert dat de voorkennis van onze verdiensten weliswaar niet de reden is voor onze voorbestemming, gezien vanuit God die voorbestemt. Maar volgens hem kun je het, vanuit ons gezien, in zekere zin wel zo noemen, volgens een speciale inschatting van de voorbestemming. Bijvoorbeeld als er gezegd wordt dat God glorie voorbestemt voor de mens, op basis van zijn daden. Want Hij heeft besloten hem genade te schenken waardoor hij die glorie kan verdienen.1

Maar omdat de Heer wil dat we bij de uitverkiezing enkel en alleen op zijn goedheid letten, is het verkeerd als iemand hier nog iets meer wil onderscheiden. Als we maar met Thomas willen wedijveren in scherpzinnigheid, dan kunnen we zijn spitsvondigheidje wel ontzenuwen. Hij beweert dat de glorie in zekere zin wordt voorbestemd voor de uitverkorenen op basis van hun verdiensten. Want God bestemt de genade voor voor hen, zodat ze de glorie kunnen verdienen.

Maar als ik daar nu eens tegen in zou brengen dat de voorbestemming voor de genade ondergeschikt is aan de uitverkiezing voor het leven en die als het ware moet dienen? En dat de genade wordt voorbestemd voor degenen aan wie allang het bezit van de glorie is toegewezen, omdat het de Heer behaagt om zijn kinderen van de uitverkiezing naar de rechtvaardiging te leiden? Immers, dat zou betekenen dat de voorbestemming tot glorie juist de reden is van de voorbestemming tot genade en niet omgekeerd.

Maar weg met deze discussies! Die zijn overbodig tussen mensen die vinden dat Gods Woord genoeg wijsheid voor hen bevat. Want het is waar wat een leraar van de kerk in het verleden gezegd heeft: als je Gods uitverkiezing toeschrijft aan verdiensten, ben je wijzer dan je hoort te zijn.2

1Thomas van Aquino, Scriptum super sententiis I, 41,1,3.

2Prosper van Aquitanië, De vocatione omnium gentium I, 2.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in