3.22.3 – Goede daden geen oorzaak, maar gevolg van de uitverkiezing

0
302

Als dit welbehagen van God regeert, wordt er helemaal geen rekening meer gehouden met onze daden. De apostel Paulus laat deze tegenstelling hier weliswaar niet volgen. Maar we moeten het wel zo opvatten. Want ergens anders legt hij het zo uit. Daar zegt hij: ‘Hij heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet volgens onze daden, maar volgens zijn eigen voornemen en de genade, die ons gegeven is door Christus, vóór de tijd begon.’ 2 Timotheüs 1:9

En ik heb al laten zien dat elk bezwaar wordt weggenomen door wat volgt: ‘Zodat wij heilig en smetteloos zouden zijn.’ Efeziërs 1:4 Want als je zegt: ‘God heeft ons uitgekozen omdat Hij van tevoren zag dat we heilig zouden zijn,’ dan keer je de volgorde van Paulus om. Je kunt dus veilig zo redeneren: als God ons uitgekozen heeft zodat we heilig zouden zijn, dan heeft Hij ons niet uitgekozen omdat Hij vooraf zag dat we dat zouden zijn. Want deze twee dingen zijn met elkaar in strijd: dat de vromen heilig zijn dankzij de uitverkiezing en dat tot hun uitverkiezing is besloten op basis van hun daden.

Soms nemen mijn tegenstanders dan hun toevlucht tot deze bewering: de Heer geeft de genade van de uitverkiezing niet om voorafgaande verdiensten, maar Hij staat die wel toe om toekomstige verdiensten. Maar dat is een waardeloze uitvlucht. Want als er gezegd wordt dat de gelovigen uitgekozen zijn om heilig te zijn, dan wordt daarmee tegelijk aangegeven dat de heiligheid die ze later zouden hebben het gevolg is van de uitverkiezing. En hoe kan het gevolg van de uitverkiezing tegelijk de oorzaak van de uitverkiezing zijn?

Later lijkt Paulus hetzelfde wat hij gezegd had nog eens extra te bevestigen, als hij zegt: ‘Volgens het voornemen van zijn wil dat Hij zich in zichzelf had voorgenomen.’ Want dat God het zich in zichzelf had voorgenomen, betekent hetzelfde als wanneer Paulus had gezegd dat God naar niets buiten zichzelf gekeken heeft om bij het besluiten rekening mee te houden. Daarom voegt Paulus er meteen aan toe dat het er bij de uitverkiezing volledig om draait dat wij Gods genade zouden prijzen. Efeziërs 1:5-6 Natuurlijk verdient Gods genade het alleen om als enige in onze verlossing gepredikt te worden, als die verlossing gratis is. Maar onze verlossing is niet gratis als God er bij het uitkiezen van de zijnen rekening mee houdt wat voor daden ieder zal gaan doen.

Zodoende merken we dat wat Christus tegen zijn leerlingen zegt, in het algemeen voor alle gelovigen geldt: ‘Jullie hebben Mij niet uitgekozen, maar Ik heb jullie uitgekozen.’ Johannes 15:16 Christus sluit daar niet alleen de voorafgaande verdiensten uit. Hij maakt duidelijk dat ze in zichzelf niets hadden waarom ze uitgekozen zouden worden, als Hij in zijn barmhartigheid niet de eerste stap had gezet.

Zo moeten we ook deze uitspraak van Paulus opvatten: ‘Wie heeft Hem eerst iets gegeven en krijgt daar een vergoeding voor?’ Romeinen 11:35 Want hij wil laten zien dat Gods goedheid altijd als eerste naar mensen toekomt, omdat er bij hen niets te vinden is – niets wat ze gedaan hebben en niets wat ze nog gaan doen – waardoor Gods goedheid één met hen zou kunnen worden.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in