3.21.7 – Uitverkiezing en verwerping van individuen

0
231

Het is nu al wel duidelijk genoeg dat God door zijn verborgen plan vrij uitkiest wie Hij wil en anderen verwerpt. Toch is zijn gratis uitverkiezing nog maar half uitgelegd zolang we niet toekomen aan de individuele personen. God biedt hun het behoud niet alleen aan, maar wijst hun die ook zo toe dat ze niet in spanning hoeven te zitten of eraan hoeven te twijfelen of de effectiviteit daarvan wel zeker is. Ze worden meegeteld met het enige zaad waar Paulus het over heeft.1

De adoptie tot kinderen was weliswaar in de handen van Abraham gelegd. Toch zijn veel van zijn nakomelingen als verrotte ledematen afgesneden, om de uitverkiezing effectief en werkelijk blijvend te laten zijn. Daarom is het nodig om op te klimmen naar het hoofd, in wie de hemelse Vader zijn uitverkorenen bij elkaar verzameld en door een onverbrekelijke band met zichzelf verbonden heeft. In de adoptie van de afstammelingen van Abraham heeft dus wel Gods royale gunst geschitterd, die Hij aan anderen ontzegd heeft. Maar in Christus’ ledematen blinkt de kracht van zijn genade nog veel mooier. Want omdat ze zijn ingelijfd in hun hoofd, raken ze hun behoud nooit meer kwijt.

Paulus redeneert dus verstandig op basis van de passage van Maleachi die ik zo pas aanhaalde: als God een bepaald volk bij zich nodigt door met hen een verbond van eeuwig leven te sluiten, dan valt daaronder nog een speciale vorm van uitverkiezing van een deel van dat volk. Hij kiest dus niet door een genade zonder onderscheid iedereen effectief uit. Want in deze passage wordt gezegd: ‘Jacob heb ik liefgehad.’ Dat slaat op de nakomelingen van deze aartsvader. De profeet zet die tegenover de nakomelingen van Esau. Toch verhindert dat niet dat ons hier in één persoon een bewijs gepresenteerd wordt van een uitverkiezing die niet kan verdwijnen zonder haar einddoel te bereiken.

Niet voor niets merkt Paulus op dat zij een rest genoemd worden.2 Want uit de ervaring blijkt dat van een grote menigte het grootste deel vergaat en verdwijnt. Vaak blijft er maar een klein deel over. De algemene verkiezing van een volk is dus niet altijd vast en effectief. Maar de reden daarvoor ligt voor de hand: aan degenen met wie God zijn verbond sluit, geeft Hij niet meteen ook de Geest van de nieuwe geboorte. Door de kracht van die Geest zouden ze binnen het verbond kunnen blijven. Maar uiterlijke verandering zonder innerlijke werking van de genade maakt het verschil tussen de verwerping van het menselijk geslacht en de uitverkiezing van een klein aantal vromen.

Heel het volk Israël werd Gods erfenis genoemd, ook al waren velen van hen buitenstaanders. Maar God had niet voor niets in zijn verbond beloofd dat Hij de vader en verlosser van het volk zou zijn. Daarom keek Hij meer naar zijn genadige gunst dan naar de ontrouw en het verraad van velen. Zij konden zijn betrouwbaarheid niet tenietdoen. Hij bewaarde een rest en zo bleek dat Hij nooit spijt krijgt van zijn roeping.3 Immers, God bleef voor zichzelf een kerk verzamelen uit de kinderen van Abraham, liever dan uit onheilige volkeren. Zo hield Hij rekening met zijn verbond. De massa had dat verbond geschonden en daarom beperkte God het tot weinigen, om te voorkomen dat het helemaal verloren zou gaan. Kortom, de algemene adoptie van Abrahams nageslacht was een zichtbaar beeld van het grotere geschenk dat God sommigen van de velen waard gekeurd heeft.

Dat is de reden waarom Paulus zo nauwkeurig onderscheid maakt tussen de vleselijke kinderen van Abraham en de geestelijke kinderen die geroepen zijn naar het voorbeeld van Isaak.4 Niet omdat simpelweg een kind van Abraham zijn zonder betekenis is en je daar niets aan hebt. Als je dat zou zeggen, beledig je het verbond. Maar Paulus maakt dit onderscheid omdat alleen deze nakomelingen daadwerkelijk gered worden door Gods onveranderlijke plan, waardoor Hij voor zichzelf heeft voorbestemd wie Hij wilde.

Maar ik waarschuw de lezer dat ze nog geen stelling moeten nemen voor de ene of de andere kant. Ze moeten onbevooroordeeld blijven totdat uit de Schriftpassages die ik ga aanvoeren duidelijk is welke opvatting we horen te hebben.

Ik zeg dus dat de Schrift duidelijk laat zien dat God door een eeuwig en onveranderlijk plan lang van te voren heeft vastgesteld welke mensen Hij voor eens en voor altijd wilde aannemen om te redden en welke Hij aan de andere kant wilde prijsgeven aan de ondergang. Ik beweer dat dit plan wat betreft de uitverkorenen gebaseerd is op zijn gratis barmhartigheid. God kijkt helemaal niet naar wat mensen waard zijn. En wat betreft degenen die Hij overgeeft aan de veroordeling: voor hen wordt de toegang tot het leven gesloten door Gods rechtvaardig en onberispelijk, maar toch onbegrijpelijk oordeel.

Verder stel ik vast dat voor de uitverkorenen hun roeping een bewijs vormt van hun uitverkiezing. Bovendien is de rechtvaardiging een tweede teken waaruit hun uitverkiezing blijkt, totdat ze de heerlijkheid bereiken waarin die uitverkiezing vervuld wordt. En net zoals de Heer zijn uitverkorenen aanwijst door de roeping en de rechtvaardiging, zo maakt Hij ook aan de verworpenen door tekenen bekend welk oordeel hun te wachten staat. Want Hij sluit hen uit van het kennen van zijn naam en van de heiliging door zijn Geest.

Ik ga straks voorbij aan veel verzinsels die dwaze mensen verzonnen hebben om de voorbestemming omver te halen. Die verzinsels hebben geen weerlegging nodig. Want zodra ze naar voren gebracht worden, bewijzen ze zelf overduidelijk hoe vals ze zijn. Ik ga me alleen bezighouden met tegenargumenten waarover tussen geleerden gediscussieerd wordt, die problemen kunnen geven voor eenvoudigen, of die mooi klinken, maar door goddelozen worden aangevoerd om Gods rechtvaardigheid te lasteren.

1Romeinen 9:6-8; Galaten 3:16-20

2Romeinen 9:27; Romeinen 11:5: Jesaja 10:22-23

3Romeinen 11:29

4Galaten 4:28

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in