3.21.6 – Uitverkiezing en verwerping binnen Abrahams nageslacht

0
57

Hier moeten we een tweede niveau van uitverkiezing aan toevoegen. Dit niveau is beperkter, maar daarin is Gods meer specifieke genade te zien. Uit hetzelfde nageslacht van Abraham heeft God sommigen verworpen. Maar anderen in zijn kerk heeft Hij gekoesterd. Zo liet Hij zien dat Hij hen als zijn kinderen hield.

Ismaël mocht in het begin op hetzelfde niveau staan als zijn broer Isaak. Want het geestelijke verbond was in hem evengoed bevestigd door het teken van de besnijdenis. Hij wordt verworpen. Daarna Esau. Uiteindelijk een ontelbare menigte: bijna heel Israël. In Isaak werd het zaad geroepen. Diezelfde roeping duurde voort in Jacob. Eenzelfde voorbeeld gaf God door Saul te verwerpen. In Psalm 78 wordt dat heel mooi verkondigd: ‘Hij verwierp de stam van Jozef en de stam van Efraïm koos Hij niet uit. Nee, Hij koos de stam van Juda uit.’1 En in de heilige geschiedenis wordt dat een paar keer herhaald om door die verandering het wonderlijke mysterie van Gods genade nog duidelijker te laten uitkomen.

Ik geef toe dat Ismaël, Esau en andere zulke mensen door hun eigen fout en schuld de adoptie tot kinderen verloren hebben. Want er was een voorwaarde bij gesteld: ze moesten zich trouw houden aan Gods verbond. Maar zij waren ontrouw en schonden dat verbond. Toch was het een bijzondere zegen van God geweest dat Hij het hun waard gekeurd had om hen boven andere volkeren te stellen. Dat wordt gezegd in Psalm 147: ‘Dit heeft Hij niet gedaan met andere volkeren. Hun heeft Hij zijn oordelen niet geopenbaard.’2

Maar ik zeg niet voor niets dat we hier twee niveaus moeten zien. Want al door heel het volk uit te kiezen, heeft God laten dat Hij in enkel zijn vrijgevigheid niet gebonden is aan wetten. Hij is vrij. Je mag dus niet van Hem eisen dat Hij zijn genade gelijk verdeeld. Juist doordat Hij zijn genade ongelijk verdeeld, laat Hij zien dat die echt gratis is.

Daarom laat Maleachi de ondankbaarheid van Israël extra sterk uitkomen: ze waren niet alleen uitgekozen uit heel het menselijk geslacht. Ze waren ook uit een heilig huis apart gezet als eigendom. En toch waren ze zo ontrouw en goddeloos om God, de Vader die hen zo goed deed, te verachten! ‘Was Esau niet Jacobs broer?’ vraagt hij. ‘Toch heb ik Jacob liefgehad en heb ik Esau gehaat.’3 God stelt als iets vanzelfsprekends dat de kinderen van Jacob veel verplichtingen hadden, alleen al omdat Jacob en Esau beiden geboren waren uit een heilige vader. Ze waren beiden opvolgers van het verbond en takken uit een heilige wortel. Toch waren alleen de kinderen van Jacob in deze waardigheid aangenomen. Want na de verwerping van Esau, de oudste, was hun vader, die van nature de minste was, erfgenaam geworden. Daarom verwijt God hun een dubbele ondankbaarheid en klaagt Hij dat die dubbele band hen niet in bedwang gehouden heeft.

1Psalm 78:67-68

2Psalm 147:20

3Maleachi 1:2-3; Romeinen 9:13

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in