Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.21 – De uitverkiezing 3.21.5 – De uitverkiezing van Abraham en zijn nageslacht

3.21.5 – De uitverkiezing van Abraham en zijn nageslacht

Niemand die als vroom beschouwd wil worden, durft simpelweg de voorbestemming ontkennen waardoor God sommigen aanneemt in de hoop op leven en anderen veroordeelt tot de eeuwige dood. Maar men wikkelt er vele spitsvondige redeneringen omheen. Dat doen vooral degenen die Gods voorkennis nemen als reden voor de voorbestemming. En inderdaad stel ik ook dat God zowel van tevoren weet als van tevoren bestemt. Maar ik zeg ook dat het verkeerd is om van die dingen de een ondergeschikt te maken aan de ander.

Als ik God toeschrijf dat Hij voorkennis heeft, dan bedoel ik daarmee dat altijd alles Hem onder ogen is en altijd zal blijven. Voor zijn kennis is er geen toekomst of verleden. Alles is heden en wel zo dat Hij het zich niet visueel inbeeldt. Op die manier staan ons dingen voor de geest die we in onze herinnering bewaren. Maar Hij ziet het echt daadwerkelijk. Hij neemt het waar als iets dat daadwerkelijk voor Hem staat. En deze voorkennis omvat alles wat er in de wereld gebeurt en alle schepselen.

Voorbestemming noem ik het eeuwige besluit van God waardoor Hij bij zichzelf heeft vastgesteld wat Hij wilde dat van ieder mens zou worden. Immers, niet iedereen wordt geschapen met dezelfde conditie. Want voor sommigen is vooraf eeuwig leven bepaald en voor anderen eeuwige veroordeling. Daarom zeggen we dat iedereen, afhankelijk van het doel waarvoor hij geschapen is, voorbestemd is voor het leven of voor de dood.

En God heeft deze voorbestemming niet alleen laten blijken bij individuele personen. Hij heeft er ook een voorbeeld van gegeven in heel het nageslacht van Abraham, om duidelijk te maken dat het aan zijn besluit ligt wat er met elk volk gebeurt. ‘Toen de allerhoogste de volken verdeelde en de kinderen van Adam scheidde, was het volk Israël zijn erfdeel en het snoer van zijn erfenis.’ Deuteronomium 32:8-9 Ieder kan het apart zetten met eigen ogen zien: in de persoon van Abraham wordt als een dorre boomstronk één volk speciaal uitgekozen. En alle andere volken worden verworpen. Maar er blijkt geen reden voor te zijn, behalve dan dat Mozes, om Abrahams nakomelingen alle reden tot pochen af te snijden, leert dat ze alleen boven anderen uitsteken dankzij Gods gratis liefde. Want hij verklaart dat dit de reden is voor hun verlossing: God heeft hun voorvaders liefgehad en hun nageslacht na hen uitgekozen. Deuteronomium 4:37

Nog duidelijker zegt hij in een ander hoofdstuk: ‘Niet omdat jullie de andere volken overtroffen in aantal, had de HEER plezier in jullie en koos Hij jullie uit. Nee, omdat Hij jullie liefhad.’ Deuteronomium 7:7-8 Regelmatig herhaalt Mozes dezelfde waarschuwing: ‘Kijk, van de HEER jullie God is de hemel, de aarde en alles wat daarin is. Maar de HEER had alleen plezier in jullie voorvaders. Hen heeft Hij liefgehad en jullie, hun nageslacht, heeft Hij uitgekozen.’ Deuteronomium 10:14-15 En ergens anders wordt hun bevolen dat ze zich moeten heiligen omdat ze als een speciaal volk zijn uitgekozen. Deuteronomium 7:6 En nog weer ergens anders wordt verzekerd dat Gods liefde de reden is voor hun bescherming. Deuteronomium 23:5 (23:6)

Ook de gelovigen verklaren met één stem: ‘Hij kiest voor ons onze erfenis uit, de glorie van Jacob, die Hij heeft liefgehad.’ Psalm 47:5 Want de gaven waarmee God hen getooid had, schrijven ze allemaal toe aan zijn gratis liefde. Ze wisten niet alleen dat ze die zelf op geen enkele manier verdiend hadden. Ze wisten ook dat de heilige aartsvader niet zulke goede eigenschappen had dat hij voor zichzelf en zijn nakomelingen zo’n eervol privilege had kunnen verdienen.

En om hun hoogmoed nog verder stuk te breken, verwijt God hun dat ze zoiets helemaal niet verdienen. Want ze waren een koppig en halsstarrig volk. Exodus 32:9; Deuteronomium 9:6 Ook de profeten werpen de Joden deze uitverkiezing vaak als een beschamend verwijt voor de voeten, omdat ze er schandelijk van afgeweken waren.

Hoe dan ook, nu mogen degenen naar voren komen die Gods uitverkiezing afhankelijk willen maken van wat mensen waard zijn of met hun daden verdiend hebben. Hier zien ze dat één volk boven alle andere volken geplaatst wordt. Ze horen dat God zonder naar de mensen zelf te kijken ertoe gebracht is om enkelingen, onaanzienlijken genegen te zijn. En dat waren dan ook nog eens slechte en koppige mensen. Willen ze met Hem in discussie gaan, omdat Hij zo’n bewijs heeft willen geven van zijn barmhartigheid? Maar met hun rumoer kunnen ze zijn werk niet verhinderen. Door de stenen van hun beledigingen naar de hemel te gooien kunnen ze zijn rechtvaardigheid niet raken of kwetsen. Die stenen zullen juist op hun eigen hoofd terugvallen.

Ook de Israëlieten worden teruggeroepen naar dit principe van een gratis verbond, als ze God moeten danken of als hun hoop voor de toekomst opgebeurd moet worden. ‘Hij en niet wijzelf, heeft ons zijn volk gemaakt en de schapen van zijn weide,’ zegt de profeet. Psalm 100:3 De ontkenning ‘en niet wijzelf’ wordt erbij gevoegd om ons uit te sluiten. Dat is niet overbodig, want ze moeten niet alleen weten dat al het goede waar zij in uitblinken van God komt. Ze moeten ook weten dat Hij in zichzelf de reden gevonden heeft. Want in hen was niets waardoor ze zo’n eer waard waren.

Hij beveelt ook dat ze tevreden moeten zijn met enkel Gods welbehagen. Hij zegt het zo: ‘Nageslacht van Abraham, zijn slaven, kinderen van Jacob, zijn uitverkorenen!’ Psalm 105:6 Dan somt hij Gods zegeningen op als vruchten van de uitverkiezing. En dan concludeert hij ten slotte dat God zo vrijgevig geweest is omdat Hij zijn verbond in herinnering hield.

In overeenstemming met deze leer zingt heel de kerk: ‘Uw rechterhand en het licht van uw gelaat heeft onze voorvaders het land gegeven, omdat U plezier in hen had.’ Psalm 44:4 En we moeten erop letten dat met het land een zichtbaar symbool bedoeld wordt van het in het verborgen apart zetten, wat de adoptie als kinderen inhoudt.

Ergens anders spoort David het volk aan tot dezelfde dankbaarheid: ‘Gelukkig het volk dat de HEER als God heeft, het volk dat Hij als zijn erfdeel heeft uitgekozen!’ Psalm 33:12 En Samuël wekt hen op om goede hoop te hebben: ‘God zal jullie niet verlaten omwille van zijn grote naam. Want het heeft Hem behaagd van jullie zijn eigen volk te maken.’ 1 Samuël 12:22 Op die manier wapent ook David zich voor de strijd, als zijn geloof onder vuur ligt: ‘Gelukkig hij die U hebt uitgekozen. Hij zal wonen in uw voorhoven!’ Psalm 65:5

De uitverkiezing is in God verborgen. Maar de uitverkiezing wordt bevestigd zowel door de eerste als de tweede verlossing en door andere zegeningen die tussenbeide kwamen. Daarom slaat daar bij Jesaja het woord ‘uitkiezen’ op: ‘God zal zich over Jacob ontfermen en Hij zal Israël nog uitkiezen.’ Jesaja 14:1 Hij doelt op een moment in de toekomst. Het leek alsof God zijn volk verstoten had en alsof er een eind gekomen was aan de uitverkiezing. Daarom zegt Jesaja dat de verzameling van het overgebleven volk een teken zal vormen dat de uitverkiezing onveranderlijk en zeker is. En ergens anders wordt gezegd: ‘Ik heb jou uitgekozen en ik heb jou niet verworpen.’ Jesaja 41:9 Daarmee geeft God hoog op van de geweldige vrijgevigheid van zijn vaderlijke goedheid, die continu doorgaat. Nog duidelijker zegt de engel het bij Zacharia: ‘God zal Jeruzalem nog uitkiezen.’ Zacharia 2:12 (2:16) Omdat God Jeruzalem zo hard strafte, leek het alsof Hij het had verworpen. Maar toch blijft de uitverkiezing onaangetast, ook al zijn daar niet altijd tekenen van te zien.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.