3.20.8 – De derde regel: nederigheid

0
512

Hier moet dit als derde regel bijkomen: ieder die God onder ogen komt om te bidden moet afstand doen van elke gedachte aan eigen roem. Hij moet elk waanidee van eigen waardigheid loslaten. Kortom, hij moet elk vertrouwen op zichzelf wegdoen door zichzelf weg te gooien en God alle eer te geven. Dan voorkomen we dat we met onze loze verwaandheid van voor Gods ogen naar beneden storten omdat we ons ook maar iets, hoe klein ook, aanmatigen.

Van deze nederigheid die elke hoogmoed omver haalt, zien we talrijke voorbeelden in Gods dienaren. Hoe heiliger ze zijn, hoe dieper ze zich neerwerpen als ze God onder ogen komen.

Daniël werd door God zelf enorm geprezen. Deze Daniël zei: ‘Niet op basis van onze rechtvaardige daden werpen wij onze smekingen voor uw ogen neer. Luister naar ons Heer! Heer, wees ons genadig, luister naar ons en doe wat wij U bidden omwille van uw eigen naam. Want er wordt een beroep gedaan op uw naam voor uw volk en voor uw heilige plaats.’ Daniël 9:18-19 Sommigen mengen zich slinks onder het volk, alsof ze gewoon een van de grote massa zijn. Maar Daniël doet dat niet. Hij belijdt juist zijn eigen individuele schuld en zoekt smekend zijn toevlucht in de vrijplaats van de vergeving. Dat spreekt hij duidelijk uit: ‘Toen ik mijn zonden en de zonden van mijn volk beleden had …’ Daniël 9:20

Deze nederigheid leert ook David met zijn voorbeeld: ‘Ga geen rechtszaak aan met uw knecht. Want niemand die leeft, zal in uw ogen gerechtvaardigd worden.’ Psalm 143:2

Zo bidt Jesaja: ‘Kijk, U bent kwaad omdat wij gezondigd hebben. Op uw wegen is de wereld gefundeerd, daarom zullen we behouden worden. We zijn allemaal vol onreinheid en al onze rechtvaardige daden zijn net een besmeurd kleed. We vallen af als blad en onze misdaden verstrooien ons als de wind. Er is niemand die uw naam aanroept, die zich in beweging zet om U vast te grijpen. Want U verbergt uw gelaat voor ons en doet ons smelten in de hand van onze onrechtvaardigheid. Maar nu, HEER, U bent onze Vader, wij zijn leem. U bent onze pottenbakker en wij zijn het werk van uw handen. Wees niet kwaad, HEER, en denk niet voor eeuwig aan onze onrechtvaardigheid. Kijk, zie toch, we zijn allemaal uw volk!’ Jesaja 64:5-9 Zie je dat ze nergens anders op vertrouwen dan alleen hierop: ze bedenken dat ze van God zijn. Daarom wanhopen ze er niet aan dat Hij voor hen zal zorgen.

En Jeremia zegt: ‘Ook al getuigen onze onrechtvaardige daden tegen ons, doe het omwille van uw naam!’ Jeremia 14:7

Want een onbekende schrijver, wie het ook geweest mag zijn – het wordt aan de profeet Baruch toegeschreven – heeft heel waar en heilig geschreven: ‘Wie zich bedroefd en verlaten voelt omdat zijn zonden zo groot zijn en wie gebogen en zwak is, wie honger heeft en hij wiens ogen bezwijken – die geven U eer, Heer! Niet omwille van de rechtvaardige daden van onze voorvaders storten wij onze gebeden voor U uit en bidden wij voor uw ogen om barmhartigheid, Heer, onze God. Baruch 2:18-19 Maar omdat U barmhartig bent, ontferm U over ons, want wij hebben tegen U gezondigd.’ Baruch 3:2

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in