Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.20 – Het gebed 3.20.5 – Geconcentreerd bidden en niet méér vragen dan God toestaat

3.20.5 – Geconcentreerd bidden en niet méér vragen dan God toestaat

De volgende twee dingen zijn de moeite waard om aandacht aan te schenken.

In de eerste plaats moet ieder die gaat bidden zijn zinnen en begeerten richten op dat bidden en zich niet, zoals zo vaak gebeurt, naar allerlei kanten laten afleiden door dwalende gedachten. Want niets is zo in strijd met eerbied voor God als lichtzinnigheid. Dat getuigt van een losbandigheid die veel te overmoedig is en geen vrees kent. En hoe moeilijker dit in onze ervaring is, hoe meer we ons best ervoor moeten doen. Want niemand is zo geconcentreerd aan het bidden dat hij niet merkt dat er allerlei gedachten binnensluipen die de loop van zijn gebed afbreken of belemmeren door die te laten afbuigen of er een draai aan te geven.

Hier moeten we bedenken hoe ongepast het is als God ons een vertrouwelijk gesprek met Hem toestaat en wij zijn grote vriendelijkheid misbruiken door het heilige te vermengen met het onheilige. Dat doen we als onze gedachten niet door eerbied voor Hem in bedwang gehouden worden, maar Hem onder het bidden laten varen en allerlei kanten opschieten. We moeten dus beseffen dat je alleen goed gaat bidden zoals het hoort, als je onder de indruk bent van Gods majesteit, zodat je daar vrij van aardse zorgen en begeerten naartoe gaat.

Dat is de betekenis van het ritueel van handen opheffen: mensen bedenken dat ze ver van God verwijderd zijn als ze hun zinnen niet naar boven opheffen. Zo wordt het ook gezegd in Psalm 25: ‘Naar U heb ik mijn ziel opgeheven.’ Psalm 25:1 En meer dan eens gebruikt de Schrift deze manier van spreken: ‘Het gebed opheffen.’ Want als je graag wilt dat God naar je luistert, moet je niet in je droesem blijven steken.

Het moet dus hier op neerkomen: hoe milder God ons behandelt door ons vriendelijk uit te nodigen om ons in zijn schoot te ontlasten van onze zorgen, hoe minder wij te verontschuldigen zijn als zijn heerlijk en onvergetelijk geschenk voor ons niet zwaarder weegt dan alle andere dingen. Dat moet ons zo aantrekken dat onze begeerten en zinnen zich serieus richten op het gebed. En dat kan alleen als we ons in gedachten met kracht verzetten tegen alle belemmeringen en als we onze aandacht omhoog richten.

In de tweede plaats mogen we volgens mij niet méér vragen dan God toestaat. Weliswaar beveelt Hij ons dat we ons hart uitstorten. Maar toch geeft Hij onze dwaze en slechte neigingen niet zonder onderscheid de vrije teugel. En als Hij belooft dat Hij zal doen wat de vromen willen, dan gaat zijn welwillendheid niet zover dat Hij zich onderwerpt aan hun oordeel.

Maar op beide punten wordt overal zwaar gezondigd. Immers, velen durven niet alleen zomaar, zonder schaamte en zonder eerbied, God aanspreken over hun dwaasheden en alles waar ze in hun fantasieën maar zin in hebben voor zijn rechterstoel brengen. Ze zijn ook bevangen door zo’n dwaasheid en domheid dat ze zelfs de smerigste begeerten aan God durven opdringen. Begeerten waar ze zich heel erg voor zouden schamen als ze die met mensen zouden delen. Weliswaar hebben sommige heidenen deze brutaliteit belachelijk gemaakt en hun afschuw erover uitgesproken. Maar toch heeft deze fout juist overal de boventoon gevoerd. En zodoende namen eerzuchtigen Jupiter aan als patroon, hebzuchtigen Mercurius, leergierigen Apollo en Minerva, oorlogzuchtigen Mars en wellustigen Venus. En hetzelfde gebeurt dus tegenwoordig, zoals ik net zei, als mensen hun verboden begeerten in hun gebeden meer de vrije teugel laten dan ze zouden doen als ze er in een gesprek met gelijken grappen over maken.

Maar God accepteert het niet als zijn vriendelijkheid zo bespot wordt. Hij staat op zijn recht. Daarom onderwerpt Hij onze wensen aan zijn regering en houdt Hij ze met een teugel in bedwang. Daarom moeten we denken aan de uitspraak van Johannes: ‘Onze vrijmoedigheid is dit: als we iets bidden in overeenstemming met zijn wil, dan verhoort Hij ons.’ 1 Johannes 5:14

Maar wij zijn absoluut niet in staat tot zo’n grote volmaaktheid! Daarom moeten we een middel zoeken dat ons te hulp kan komen. We moeten de intelligentie van onze geest op God richten. En de verlangens van ons hart moet daar achteraan gaan. Maar beiden blijven stilstaan, lang voordat ze zover zijn. Of beter gezegd: ze verslappen en bezwijken, of ze slaan de tegengestelde richting in. Daarom geeft God ons in onze gebeden zijn Geest als leermeester, om ons in deze zwakheid te hulp te komen. Zijn Geest zegt ons voor wat goed is en leidt onze verlangens. Wij weten niet wat we bidden moeten zoals het hoort. Daarom komt de Geest ons te hulp en bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Romeinen 8:26 Niet dat Hij daadwerkelijk zelf bidt of zucht. Nee, Hij wekt in ons het vertrouwen, het verlangen en de verzuchtingen. De vermogens van onze natuur zouden nooit voldoende zijn om die op te wekken.

En Paulus noemt de verzuchtingen die de gelovigen onder leiding van de Geest opzenden niet voor niets ‘onuitsprekelijk’. Want als je echt getraind bent in het bidden, weet je wel dat je door verborgen benauwdheden zo verward en belemmerd wordt dat je nauwelijks weet wat je moet zeggen. Ja, als je probeert te stamelen, blijf je in verwarring steken. Dat betekent dus dat het een bijzondere gave is om goed te bidden.

En dit wordt niet gezegd om toe te geven aan onze eigen laksheid. We mogen de taak van het bidden niet overdragen aan Gods Geest en zelf in zorgeloosheid verslappen. Daar zijn we al te veel toe geneigd. Zo hoor je sommigen bijvoorbeeld zeggen dat we, als ons hart met iets anders bezig is, passief moeten afwachten tot God eerst ingrijpt. Maar nee, we moeten juist een afkeer hebben van onze laksheid en zorgeloosheid en de hulp van de Geest gaan zoeken. En daarom houdt Paulus, als hij ons beveelt om te bidden in de Geest, niet op ons aan te sporen tot waakzaamheid. 1 Korinthiërs 14:15 Daarmee geeft hij aan dat een ingeving van de Geest zo goed in staat is om onze gebeden te vormen dat onze eigen inspanningen daarmee totaal niet gehinderd of vertraagd worden. Want God wil in dit opzicht testen hoe sterk ons hart wordt aangedreven door geloof.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.

FunctionalOur website uses functional cookies. These cookies are necessary to let our website work.

AnalyticalOur website uses analytical cookies to make it possible to analyze our website and optimize for the purpose of a.o. the usability.

Social mediaOur website places social media cookies to show you 3rd party content like YouTube and FaceBook. These cookies may track your personal data.

AdvertisingOur website places advertising cookies to show you 3rd party advertisements based on your interests. These cookies may track your personal data.

OtherOur website places 3rd party cookies from other 3rd party services which aren't Analytical, Social media or Advertising.