3.20.4 – De eerste regel: al je aandacht richten op God

0
46

Welnu, om het bidden goed in te richten zoals het hoort, moet dit de eerste regel zijn: als je met God in gesprek gaat, mogen je gedachten en je hart er niet anders aan toe zijn dan daarbij gepast is.

Wat betreft onze gedachten kunnen we dat bereiken als we ze losmaken van vleselijke zorgen en gedachten die ons kunnen afleiden van het op de juiste, zuivere manier kijken naar God. We moeten ons volledig wijden aan het bidden en, voorzover dat mogelijk is, boven onszelf uitstijgen.

Maar ik vraag niet dat onze gedachten zo vrij zijn dat we door geen enkele zorg meer gekweld worden. Want het vuur van het bidden moet juist in ons ontstoken worden door grote benauwdheid. Dat zien we bij de heilige dienaren van God. Zij getuigen van grote kwellingen en nog veel meer van zorgen als ze zeggen dat ze uit een diepe afgrond en midden uit de muil van de dood hun klachten laten horen aan de Heer.1

Wat ik bedoel, is dat we alle vreemde zorgen moeten verjagen, die van buiten komen en die onze gedachten, die van zichzelf al onrustig zijn, heen en weer slingeren, van de hemel aftrekken en op aarde neergedrukt houden.

Als ik zeg dat we in onze gedachten boven onszelf moeten uitstijgen, dan bedoel ik daarmee dat we God niets onder ogen mogen brengen van de dingen die ons blind en dwaas verstand altijd verzint. We mogen ons niet beperken tot de maat van onze eigen zinloosheid, maar moeten opstijgen tot de zuiverheid die past bij Gods waardigheid.

1Psalm 130:1-2

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in