3.20.37 – Wij zijn Gods kinderen

0
87

En we moeten niet aanvoeren dat we terecht afgeschrikt woorden door het besef van onze zonden. Ook al is onze Vader welwillend en zachtmoedig, toch zorgen die zonden er immers voor dat Hij elke dag boos op ons wordt. Maar stel dat bij mensen een zoon een verdediger nodig heeft om zijn zaak bij zijn vader te bepleiten, een bemiddelaar om de verloren gunst van zijn vader weer terug te winnen. Wie kan dat dan beter zijn dan hijzelf, als hij deemoedig en nederig zijn schuld erkent en een beroep doet op de barmhartigheid van zijn vader? Zijn vader kan dan vanbinnen onmogelijk onbewogen blijven onder zulke smekingen. Dus wat zou de Vader van de barmhartigheid en de God van alle troost dan wel niet doen?1 Zal Hij de tranen en verzuchtingen van zijn kinderen die voor zichzelf tot Hem bidden niet veel eerder verhoren dan het pleiten van iemand anders? Hij nodigt zijn kinderen zelf uit en spoort en aan om tot Hem te bidden! Waarom zouden ze dan vol angst en blijkbaar wanhopig hun toevlucht nemen tot een ander, omdat ze te weinig vertrouwen hebben in de zachtmoedigheid en welwillendheid van hun Vader?

Deze overvloed aan vaderlijke zachtmoedigheid tekent God voor ons uit in een gelijkenis. In die gelijkenis heeft de zoon zich van zijn vader vervreemd. Hij heeft zijn vaders bezittingen losbandig verkwist en op alle mogelijke manieren ernstig tegen zijn vader gezondigd. Maar zijn vader omhelst hem met open armen. Hij wacht niet tot zijn zoon uitdrukkelijk om vergeving vraagt, maar zet zelf de eerste stap. Als hij terugkomt, herkent hij hem al van grote afstand en loopt hem tegemoet. Hij troost hem en neemt hem in genade aan.2 Toen God ons dit voorbeeld presenteerde van zo’n grote zachtmoedigheid in een mens, heeft Hij ons willen leren hoeveel overvloediger zachtmoedigheid wij moeten verwachten van Hem. Hij is niet zomaar onze Vader, maar verreweg de beste en meest welwillende van alle vaders. Zelfs al zijn wij ondankbare, koppige en slechte kinderen. Als we ons maar overgeven aan zijn barmhartigheid.

En God wilde een nog vaster vertrouwen in ons wekken dat Hij zo’n Vader is, als wij christenen zijn. Daarom wilde Hij niet alleen maar ‘Vader’ genoemd worden, maar uitdrukkelijk ‘onze Vader’. Alsof we tegen Hem zeggen: ‘Vader, U hebt uw kinderen zo lief en wilt hen zo graag vergeven. Wij, uw kinderen, roepen U aan en bidden tot U omdat we er zeker van zijn en er volkomen van overtuigd zijn dat U niets anders voor ons voelt dan vaderlijke liefde. Zelfs al zijn wij zo’n Vader niet waard om wat voor verkeerde dingen we ook gedaan hebben en hoe onvolmaakt en arm we ook zijn.’

Maar ons hart is zo krap dat het zo’n onmetelijke goedheid niet kan bevatten. Daarom is Christus voor ons niet alleen een garantiebewijs van onze adoptie tot kinderen. Hij geeft ons ook een getuige van die adoptie: de Geest. Door Hem mogen wij vrijuit en luidkeels roepen: ‘Abba, Vader!’3 Telkens als een of andere aarzeling ons hindert, moeten we er dus aan denken dat we Hem vragen of Hij onze angst wil corrigeren en ons die Geest wil geven als gids, zodat we vrijmoedig kunnen bidden.

12 Korinthiërs 1:3

2Lucas 15:20-24

3Galaten 4:6; Romeinen 8:15

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in