Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.20 – Het gebed 3.20.26 – Gebeden van heiligen zijn niet beter dan die van ons

3.20.26 – Gebeden van heiligen zijn niet beter dan die van ons

Echter, sommigen worden blijkbaar beïnvloed door het feit dat je vaak leest over gebeden van heiligen die verhoord werden. Waarom werden ze verhoord? Omdat ze gebeden hadden. De profeet zegt: ‘Op U hebben zij gehoopt en ze zijn gered. Ze hebben geroepen en kwamen niet beschaamd uit.’ Psalm 22:5-6 Maar dan moeten wij ook bidden volgens hun voorbeeld. Dan worden ook wij net als zij verhoord! Maar mijn tegenstanders redeneren verkeerd. Ze draaien de argumentatie om en zeggen dat alleen degenen verhoord worden die al een keer verhoord zijn.

Wat redeneert Jacobus dan beter! Hij zegt: ‘Elia was een mens als wij. Hij bad of het niet zou regenen en drie jaar en zes maanden lang regende het niet op aarde. En hij bad opnieuw en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.’ Jacobus 5:17-18 Wat? Maakt Jacobus hieruit op dat Elia een bijzonder voorrecht had, waar wij onze toevlucht toe moeten nemen? Absoluut niet! Hij leert juist dat een vroom en zuiver gebed altijd kracht heeft. Zo wil hij ons aansporen om op dezelfde manier te bidden. Want we leggen Gods bereidheid en welwillendheid om gebeden te verhoren heel verkeerd uit als zulke ervaringen ons niet sterken om nog vaster te vertrouwen op zijn beloften. Hij belooft immers dat Hij zijn oor niet neigt tot één of twee of enkele mensen, maar tot iedereen die zijn naam aanroept.

Deze onwetendheid is nog minder te verontschuldigen omdat ze daarmee zoveel vermaningen uit de Schrift opzettelijk lijken te negeren. David is meer dan eens door Gods kracht verlost. Maar gebeurde dat met de bedoeling dat hij zelf die kracht zou houden en wij op zijn verzoek verlost zouden worden? Hijzelf verklaart iets heel anders: ‘De rechtvaardigen wachten op mij, totdat U mij goed doet.’ Psalm 142:8 En: ‘De rechtvaardigen zullen het zien en zich verheugen en hopen op de HEER.’ Psalm 52:8 ‘Kijk, deze ellendige riep tot God en Hij antwoordde hem.’ Psalm 34:7

Er staan veel van zulke gebeden in de Psalmen, waarin David God bidt of Hij wil geven waar hij om vraagt, met als reden dat dan de rechtvaardigen opgebeurd worden en goede hoop krijgen. Anders zouden ze beschaamd staan. Laten we met één voorbeeld tevreden zijn: ‘Daarom zal elke heilige U aanbidden op het juiste moment.’ Psalm 32:6 Ik haal juist deze passage graag aan omdat deze mensen, die goed en fout door elkaar halen en hun tong lenen om het pausdom te verdedigen, zich er niet voor hebben geschaamd juist deze passage aan te voeren als bewijs voor de voorbede door doden. Alsof David iets anders wilde dan erop wijzen welke vrucht Gods welwillendheid en genade oplevert als God hem verhoort!

In het algemeen moeten we weten dat het ervaren van Gods genade, zowel door anderen als door onszelf, een buitengewoon hulpmiddel is om de betrouwbaarheid van zijn beloften te bevestigen. Ik haal niet de vele passages aan waar David zich Gods zegeningen voor ogen stelt als bouwmateriaal voor zijn vertrouwen. Wie de Psalmen leest, komt ze vanzelf tegen. Jacob had eerder al met zijn voorbeeld hetzelfde geleerd: ‘Ik ben kleiner dan al uw barmhartigheid en betrouwbaarheid die U uw dienaar bewezen hebt. Met mijn staf ben ik deze Jordaan overgestoken. En nu trek ik op met twee legers.’ Genesis 32:10 (32:11) Hij heeft het inderdaad over de belofte. Maar niet alleen daarover. Hij noemt daarbij ook het effect: voor de toekomst mag hij er nog sterker op vertrouwen dat God tegenover hem dezelfde zal blijven. Immers, God is niet zoals de mensen. Die krijgen spijt van hun vrijgevigheid of hun vermogen raakt uitgeput. Maar God moet beoordeeld worden volgens zijn eigen aard.

David doet dat op een verstandige manier: ‘U hebt mij verlost, God van de waarheid.’ Psalm 31:6 Hij kent God de lof toe voor zijn verlossing. En dan voegt hij eraan toe dat God betrouwbaar is. Want als Hij niet altijd aan zichzelf gelijk zou blijven, zouden zijn zegeningen niet voldoende reden vormen om Hem met vertrouwen aan te roepen. Maar we mogen weten dat Hij, telkens als Hij ons helpt, een voorbeeld en bewijs geeft van zijn goedheid en trouw. Daarom hoeven we niet bang te zijn dat onze hoop beschaamd uitkomt of ons bedriegt.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.