3.20.24 – Geen contact tussen levenden en doden

0
373

Verder komen mijn tegenstanders met dit tegenargument: mogen we de heiligen dan beroven van alle vrome verlangens? In heel hun leven hebben ze niet anders dan vroomheid en barmhartigheid laten zien!

Werkelijk, ik wil niet nieuwsgierig onderzoeken wat ze doen of denken en ik vind het daarom ook niet waarschijnlijk dat ze door verschillende specifieke wensen heen en weer geslingerd worden. Ik denk dat ze juist met een vaste en onveranderlijke wil uit zijn op Gods koninkrijk. En dat betekent dat ze zowel uit zijn op de ondergang van de goddelozen als het behoud van de gelovigen. En als dat waar is, is er geen twijfel aan dat ook hun liefde beperkt wordt tot de gemeenschap van Christus’ lichaam en dat die liefde niet verder reikt dan past bij de aard van die gemeenschap. Weliswaar geef ik toe dat ze op die manier voor ons bidden. Maar dat betekent nog niet dat ze hun rust verlaten en weggerukt worden naar aardse zorgen. Laat staan dat we ze daarom maar moeten aanroepen!

En het is ook niet nodig om hen aan te roepen omdat de mensen die op aarde leven elkaar over en weer in hun gebeden opdragen. Want deze plicht is bedoeld om hen op te voeden in liefde, als ze hun noden als het ware met elkaar delen en over en weer op zich nemen. Dit doen ze omdat de Heer het gebiedt en niet zonder belofte. En die twee – gebod en belofte – nemen bij het bidden altijd de belangrijkste plaats in. Maar die argumenten gelden niet voor de doden. Want de Heer heeft een eind gemaakt aan hun verblijf bij ons. Hij staat niet toe dat wij nog met hen omgaan en zelfs niet dat zij nog met ons omgaan, voor zover we kunnen raden. Prediker 9:5-6

En zelfs al zou je beweren dat het niet anders kan of ze hebben ons nog steeds even lief, net zoals ze met ons verenigd zijn in hetzelfde geloof – wie heeft dan geopenbaard dat ze zulke grote oren hebben dat ze onze stem nog zouden kunnen opvangen? En zulke scherpe ogen dat ze zouden kunnen zien wat wij nodig hebben? Mijn tegenstanders kletsen in hun scholen wel over het een of ander licht van Gods gelaat dat de heiligen beschijnt. In dat licht zouden ze als in een spiegel vanuit de hoogte de dingen van de mensen kunnen bekijken. Maar zo’n bewering en dan met zo’n gewaagde stelligheid – wat is dat anders dan buiten Gods Woord om met de dronken fantasieën van onze hersens durven doordringen en inbreken in Gods verborgen oordelen en de Schrift vertrappen? De Schrift verkondigt zo vaak dat de wijsheid van ons vlees een vijand is van Gods wijsheid. En Gods wijsheid veroordeelt de zinloosheid van onze gedachten volledig. Zij werpt ons verstand volledig omver en wil dat we alleen letten op wat God wil. Romeinen 8:6-7; Efeziërs 4:17

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in