Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.20 – Het gebed 3.20.14 – We kunnen vrijmoedig bidden als we Gods belofte geloven

3.20.14 – We kunnen vrijmoedig bidden als we Gods belofte geloven

Het is vreemd dat het ons zo flauw of vrijwel helemaal niet raakt hoe heerlijk Gods beloften zijn. Een groot deel van de mensen dwaalt langs omwegen. Ze verlaten liever de bron van het levende water om voor zichzelf droge putten te graven, dan dat ze Gods vrijgevigheid omhelzen die hun vanzelf wordt aangeboden.

De naam van de HEER is een onoverwinnelijke burcht,’ zegt Salomo. ‘Als de rechtvaardige daarheen vlucht, zal hij gered worden.’ Spreuken 18:10 En Joël profeteert over de vreselijke ellende die eraan komt. Dan voegt hij daar deze gedenkwaardige uitspraak aan toe: ‘Ieder die de naam van de HEER aanroept, zal gered worden.’ Joël 2:32 (3:5); Handelingen 2:21 Zoals we weten, slaat deze uitspraak vooral op de loop van het evangelie. Nauwelijks een op de honderd wordt ertoe aangezet om naar God toe te gaan. Via Jesaja roept God zelf: ‘Jullie zullen Mij roepen en Ik zal naar jullie luisteren. Sterker nog, voordat jullie roepen, zal Ik jullie antwoorden.’ Jesaja 65:24 Ergens anders keurt Hij heel de kerk deze eer waard, omdat het slaat op alle ledematen van Christus: ‘Als hij Mij roept, zal Ik naar hem luisteren. Ik ben met hem als hij in het nauw zit, om hem eruit te trekken.’ Psalm 91:15

Maar zoals ik al gezegd heb, ben ik niet van plan om alle passages op te sommen. Ik wil alleen de meest bijzondere uitkiezen. Daaruit kunnen we proeven hoe vriendelijk God ons naar zich toe lokt en hoe krap de banden zijn waarin onze ondankbaarheid zit vastgesnoerd als we bij zulke scherpe prikkels in onze laksheid toch nog blijven treuzelen. Daarom moeten steeds deze woorden weerklinken in onze oren: ‘De HEER is dicht bij allen die Hem aanroepen, die Hem oprecht aanroepen.’ Psalm 145:18 Hetzelfde geldt voor de woorden uit Jesaja en Joël die ik geciteerd heb. Daarmee verklaart God dat Hij graag onze gebeden verhoort, dat Hij ervan geniet als van een offer dat heerlijk ruikt, als we onze zorgen op Hem werpen. 1 Petrus 5:7; Psalm 55:23

Deze speciale vrucht van Gods beloften krijgen we als we onze gebeden uitspreken zonder twijfel en vrees. Als we Hem als onze Vader durven aanroepen omdat we vertrouwen op zijn Woord. De majesteit van dat Woord schrikt ons niet af, omdat Hij ons die heerlijke naam zelf in de mond gelegd heeft.

Kortom, omdat we zoveel uitnodigingen gekregen hebben, mogen we weten dat die voldoende reden zijn om verhoord te worden. Want onze gebeden zijn niet gebaseerd op iets dat we zelf verdiend hebben. Hun waarde en onze hoop dat we krijgen waar we om vragen, zijn gefundeerd op Gods beloften. Daar zijn die van afhankelijk. Dus hebben onze gebeden geen andere ondersteuning nodig en hoeven we niet her en der om ons heen op te kijken. De heilige aartsvaders, profeten en apostelen werden geprezen om hun heiligheid. Maar wij blinken niet uit door net zo heilig te zijn als zij. Toch mogen we er in ons hart zeker van zijn dat we terecht bij hen horen. Want als we op Gods Woord vertrouwen, hebben we hetzelfde gebod om te bidden en hetzelfde geloof als zij. Immers, hiervóór hebben we gezien dat God verkondigt dat Hij iedereen goedgezind en genadig zal zijn. Dan geeft Hij dus zelfs aan de meest ellendige mensen de hoop dat ze zullen krijgen waar ze om bidden.

Daarom moeten we letten op de algemene uitspraken, die van de eerste tot de laatste, zeg maar, niemand uitsluiten. Als we maar wel oprecht, ontevreden over onszelf en nederig zijn en geloof hebben. Dan wordt Gods naam niet ontheiligd doordat we huichelen en roepen we Hem niet aan zonder het te menen. En dan zal de heel goede Vader ons niet afwijzen. Want niet alleen spoort Hij ons zelf aan om naar Hem toe te komen. Hij wekt ons ook op alle mogelijke manieren daartoe op.

Vandaar de manier waarop David bidt – ik citeerde dat kort hiervóór: ‘Kijk, HEER, U hebt het uw knecht beloofd. Daarom vindt uw knecht nu de moed en heeft hij gevonden wat hij kan bidden. Nu dan, HEER God, U bent God en uw woorden zijn betrouwbaar. U hebt tegen uw knecht over deze zegeningen gesproken. Begint U er dus mee en doet U het.’ 2 Samuël 7:27-29 Zo zegt hij ook ergens anders: ‘Doe met uw knecht zoals U gezegd hebt.’ Psalm 119:76 En telkens als alle Israëlieten samen kracht putten uit de herinnering aan het verbond, verklaren ze duidelijk genoeg dat je niet angstig moet bidden. Want God schrijft het zelf voor. Daarin volgden ze het voorbeeld van hun voorvaders, vooral van Jacob. Jacob erkende dat hij te onbeduidend was voor alle barmhartigheid die hij uit Gods hand gekregen had. Maar toch zegt hij vervolgens dat hij de moed vindt om te vragen om nog grotere dingen. Want God had beloofd dat Hij die dingen zou doen. Genesis 32:10-13 (32:11-14)

Ongelovigen kunnen allerlei excuses aanvoeren om, telkens als de nood dringt, niet hun toevlucht tot God te nemen, Hem niet te zoeken en niet zijn hulp in te roepen. Maar zeker is dat ze Hem dan beroven van de eer waar Hij recht op heeft. Het is hetzelfde als nieuwe goden en afgoden voor zichzelf maken. Want op deze manier ontkennen ze dat alle dingen hun door God gegeven worden.

Aan de andere kant helpt niets zo sterk om de vromen te bevrijden van al hun bezwaren dan dat ze zich wapenen met deze gedachte: er is geen reden waarom ze zich door iets zouden laten ophouden of tegenhouden om te bidden. Want als ze bidden, luisteren ze naar Gods gebod. En Hij zegt dat Hij niets liever heeft dan gehoorzaamheid.

Hieruit blijkt opnieuw en nog duidelijker wat ik eerder al gezegd heb: onbevreesde moed om te bidden gaat heel goed samen met vrees, eerbied en bezorgdheid. Het is niet absurd als God neerslachtige mensen opbeurt. Op die manier vallen uitspraken die elkaar lijken tegen te spreken toch heel goed met elkaar te rijmen. Jeremia en Daniël zeggen dat ze hun gebeden neerleggen voor God. Jeremia 42:9; Daniël 9:18 Ergens anders zegt Jeremia: ‘Laat onze smeekbede toch voor Gods gelaat neervallen. Dan zal Hij zich ontfermen over zijn overgebleven volk.’ Jeremia 42:2

Ook wordt er over gelovigen vaak gezegd dat ze hun gebeden opheffen. Hizkia zegt dat bijvoorbeeld als hij de profeet Jesaja vraagt om de taak op zich te nemen om voor het volk te bidden. 2 Koningen 19:4 En David wil graag dat zijn gebed zal opstijgen als een reukoffer. Psalm 141:2 Weliswaar zijn zij overtuigd van Gods vaderlijke liefde. Daarom richten ze zich opgewekt op zijn trouw en aarzelen ze niet om de hulp in te roepen die Hij uit eigen beweging belooft. Maar toch wagen ze het niet om zorgeloos achterover te leunen, alsof ze alle schaamte van zich af geworpen hadden. Nee, ze klimmen op zo’n manier omhoog langs de trappen van de beloften dat ze in hun nederigheid toch smekelingen blijven.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.