3.20.13 – Een gebod en een belofte

Om te beginnen verklaart God ons juist door het gebod om te bidden schuldig aan goddeloze koppigheid als we daar niet aan gehoorzamen. Dit bevel kon niet directer gegeven worden dan zoals we het lezen in Psalm 50: ‘Roep Mij aan op de dag dat je in het nauw zit.’ Psalm 50:15 Maar er is geen vrome plicht die in de Schrift vaker aanbevolen wordt. Er is dus geen reden waarom ik hier meer tijd aan zou besteden. ‘Bid,’ zegt de leermeester, ‘dan zullen jullie krijgen. Klop, dan zal er voor jullie opengedaan worden.’ Mattheüs 7:7

Trouwens, hier wordt aan het gebod ook een belofte toegevoegd. Dat is nodig. Want ook al erkent iedereen dat we dat gebod moeten gehoorzamen, toch zouden de meesten bij God vandaan vluchten als Hij hen roept, als Hij niet beloofde dat ze Hem kunnen overhalen en dat Hij hun tegemoet zal komen.

Er is ons dus een gebod en een belofte gegeven. Daarom staat niet alleen vast dat ieder die zich in allerlei bochten wringt om maar niet rechtstreeks naar God te gaan, koppig en ongehoorzaam is. Daardoor wordt ook hun ongeloof bewezen. Want ze vertrouwen niet op de beloften.

En hier moeten we extra goed op letten omdat huichelaars onder het mom van nederigheid en bescheidenheid niet alleen Gods gebod trots negeren, maar bovendien geen geloof hechten aan zijn vriendelijke uitnodiging. Sterker nog, ze beroven Hem van het belangrijkste onderdeel van hoe Hij gediend moet worden. Immers, God wijst de offers af, waarin in die tijd heel zijn heiligheid leek te liggen, en verklaart vervolgens dat dit het belangrijkste is en voor Hem het kostbaarste boven alles: dat we Hem aanroepen op de dag dat we in nood verkeren. Psalm 50:7-15

Dus als Hij eist waar Hij recht op heeft en ons bezielt om Hem graag te gehoorzamen, kunnen we onze aarzelingen nooit zo inkleden dat die ons zouden kunnen verontschuldigen. Zo veel uitspraken als er in de Schrift voorkomen die ons bevelen om God aan te roepen, zo veel banieren worden er dus voor onze ogen geplant om in ons vertrouwen op te wekken.

Het zou brutaal zijn om als een indringer God onder ogen te komen als Hij ons niet eerst zelf geroepen had. Daarom opent Hij zelf voor ons de weg met zijn Woord: ‘Ik zal tegen hen zeggen: “Jullie zijn mijn volk.” Zij zullen tegen Mij zeggen: “U bent onze God.”’ Zacharia 13:9 We zien hoe Hij tegenover degenen die Hem dienen de eerste stap zet en wil dat zij volgen. We hoeven daarom niet bang te zijn dat deze melodie niet lieflijk genoeg is. Hij schrijft die zelf voor.

Vooral moet ons deze heerlijke lofrede op God in gedachten komen, waarmee we gemakkelijk alle bezwaren kunnen overwinnen als we daarop steunen: ‘U bent een God die het gebed verhoort. Al het vlees gaat naar U toe.’ Psalm 65:3 Want wat is lieflijker of vriendelijker dan dat God een naam krijgt die ons ervan verzekert dat niets beter bij zijn aard past dan dat Hij de wensen vervult van degenen die Hem daarom smeken?

De profeet concludeert hieruit dat de deur niet slechts voor een enkeling open staat, maar voor alle mensen. Want hij spreekt ook iedereen toe met deze woorden: ‘Roep mij aan op de dag dat je in het nauw zit. Ik zal je eruit helpen en dan zul je Mij eren.’ Psalm 50:15 Volgens deze regel wijst David, om te krijgen waar hij om bidt, op wat hem beloofd was: ‘U, God, hebt het voor het oor van uw knecht geopenbaard. Daarom heeft uw knecht de moed gevonden om te bidden.’ 2 Samuël 7:27 Daar kunnen we uit opmaken dat hij het niet gedurfd zou hebben als de belofte hem niet bemoedigd had.

En ergens anders onderwijst hij zichzelf met deze algemene les: ‘Hij zal doen wat degenen die Hem vrezen graag willen.’ Psalm 145:19 In de Psalmen zie je vaak dat David de loop van zijn gebed als het ware onderbreekt en het dan heeft over Gods macht of zijn goedheid of over de betrouwbaarheid van zijn beloften. Het lijkt misschien dat David zulke uitspraken invoegt op ongelegen momenten en zo zijn gebeden verminkt. Maar gelovigen weten uit ervaring dat hun enthousiasme uitdooft als ze geen nieuwe brandstof aanvoeren. Daarom is het absoluut niet overbodig om onder het bidden na te denken zowel over Gods aard als over zijn Woord. We moeten het dus niet erg vinden om, volgens het voorbeeld van David, in ons gebed in te voegen wat ons zwakke hart met nieuw kracht kan bezielen.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.

FunctionalOur website uses functional cookies. These cookies are necessary to let our website work.

AnalyticalOur website uses analytical cookies to make it possible to analyze our website and optimize for the purpose of a.o. the usability.

Social mediaOur website places social media cookies to show you 3rd party content like YouTube and FaceBook. These cookies may track your personal data.

AdvertisingOur website places advertising cookies to show you 3rd party advertisements based on your interests. These cookies may track your personal data.

OtherOur website places 3rd party cookies from other 3rd party services which aren't Analytical, Social media or Advertising.