3.2 – Openbaring is de bron van Godskennis

0
151

Deze bekendmaking van God van zichzelf wordt gewoonlijk aangeduid met de naam openbaring. De Schrift gebruikt er verschillende namen voor en spreekt over verschijnen, spreken, gebieden, werken, zich bekendmaken enzovoort. Ze duidt daarmee aan dat de openbaring niet altijd op dezelfde manier gebeurt, maar in zeer verschillende vormen plaatsvindt. Eigenlijk zijn alle werken van God naar buiten toe, in woord of in daad, onderdelen en elementen van één grote, alles omvattende en altijd voortgaande openbaring van God. Het scheppen, het onderhouden en regeren van alle dingen, de roeping en leiding van Israël, de zending van de Christus, de uitstorting van de Heilige Geest, het te boek stellen van Gods Woord, het in standhouden en voortplanten van de kerk enzovoort, zijn allemaal samen manieren en vormen waardoor er een openbaring vanuit God naar ons toe komt. Ze maken ons allemaal iets van God bekend. Alles wat er is en gebeurt, kan en hoort ons te brengen tot de kennis van Hem, bij wie het het eeuwige leven is om Hem te kennen.

Deze openbaring, of je die nu algemeen of bijzonder opvat, heeft altijd de volgende kenmerken.

In de eerste plaats gaat die altijd vrij van God zelf uit. Hij is hier, zoals overal, de enige die handelt en Hij handelt daarbij volkomen bewust en vrij. Weliswaar wordt door hen die de belijdenis van een persoonlijke, zelfbewuste God verwerpen nog vaak over een openbaring van God gesproken. Maar dan gebruiken ze dat woord in strijd met de eigenlijke betekenis. Vanuit het standpunt van wie alleen in een onpersoonlijke, onbewuste, almachtige kracht geloven, kun je nog wel spreken van een onbewust, onwillekeurig verschijnen van die kracht. Maar niet meer van een eigenlijke openbaring. Want die veronderstelt immers dat God zich volkomen van zichzelf bewust is en volkomen vrij is. Alle openbaring die die naam terecht draagt, gaat uit van de gedachte dat God persoonlijk bestaat, dat Hij zich van zichzelf bewust is en zichzelf aan schepselen bekend kan maken. De kennis van God bij de mens heeft haar basis en uitgangspunt in de kennis die God van zichzelf bezit. Zonder zelfbewustheid en zelfkennis van God is er ook bij de mens geen kennis van God mogelijk. Wie dit ontkent, moet tot de absurde gedachte komen dat er óf helemaal geen kennis van God bestaat, óf dat God zich pas in de mens van zichzelf bewust wordt, en dus de mens de plaats van God laten innemen.

De Schrift leert heel anders. Al is het ontoegankelijk, het is toch een licht waar God in woont. Hij kent zichzelf volkomen en kan zich daarom aan ons bekendmaken. Niemand kent de Zoon dan de Vader en niemand kent de Vader dan de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil openbaren. Mat. 11:27

In de tweede plaats is alle openbaring die van God uitgaat, zelfopenbaring. God is de oorsprong en Hij is ook de inhoud van de openbaring. Dat geldt voor de hoogste openbaring die in Christus naar ons toe gekomen is. Want Jezus zegt zelf dat Hij de naam van de Vader aan de mensen geopenbaard heeft. Joh. 17:6 De eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, heeft God aan ons verklaard. Joh. 1:18 Maar dat geldt verder voor alle openbaring die God van zichzelf heeft laten uitgaan. Al Gods werken in natuur en genade, in schepping en herschepping, in wereld en geschiedenis laten ons iets kennen van het onbegrijpelijke en aanbiddelijke wezen van God. Ze doen dat niet allemaal op dezelfde manier en in dezelfde mate. Er is hier een eindeloze verscheidenheid. Het ene werk van God spreekt meer over zijn gerechtigheid en het andere over zijn goedheid. Hier blinkt meer Gods almacht uit en daar zijn wijsheid.

Maar allemaal samen en elk in zijn eigen mate verkondigen ze ons Gods grote werken, maken ze ons bekend met zijn deugden en volmaaktheden, met zijn wezen en zijn zelfonderscheidingen, met zijn gedachte en woord, met zijn wil en welbehagen.

Hierbij mogen we echter nooit uit het oog verliezen dat Gods openbaring, hoe rijk de inhoud ervan ook is, toch nooit samenvalt met Gods zelfkennis. Gods zelfkennis of zelfbewustzijn is even oneindig als zijn wezen en kan daarom aan geen enkel schepsel meegedeeld worden. Gods openbaring in zijn schepselen, zowel objectief in de werken van zijn handen als subjectief in het bewustzijn van zijn redelijke schepselen, omvat altijd slechts een klein gedeelte van de oneindige kennis waar God met betrekking tot zichzelf in deelt. Niet alleen de mensen op aarde, maar ook de zaligen en de engelen in de hemel, ja zelfs Gods Zoon wat betreft zijn menselijk natuur, hebben een kennis van God die in oorsprong en wezen verschilt van Gods zelfkennis. Maar toch, de kennis die door God in zijn openbaring meegedeeld wordt en door de redelijke schepselen daaruit verworven kan worden, mag dan beperkt en eindig zijn en dit zelfs voor eeuwig blijven, die kennis is toch een echte, zuivere kennis. God openbaart zich in zijn werken zoals Hij is. Uit zijn openbaring leren we Hemzelf kennen. Daarom is er voor de mens geen rust voordat hij uit het schepsel tot God zelf opstijgt. Bij de openbaring moet het ons om God zelf te doen zijn. Want de openbaring dient niet om ons enkele klanken te leren en enkele woorden te laten uitspreken. Nee, de openbaring vindt haar kerndoel als die ons door de schepselen heen naar de Schepper zelf brengt en ons laat rusten aan zijn vaderhart.

In de derde plaats heeft de openbaring die van God uitgaat en God als inhoud heeft, ook God zelf als doel. Die openbaring is uit en door en tot Hem. God heeft alles gemaakt omwille van zichzelf. Spr. 16:4, Rom. 11:36 Hoewel de kennis van God die in zijn openbaring meegedeeld wordt, wezenlijk verschilt en blijft verschillen van zijn zelfkennis, is die kennis toch zo rijk, zo breed en zo diep dat die nooit ten volle in het bewustzijn van enig redelijk schepsel kan worden opgenomen. De engelen gaan in verstand de mens ver te boven en zien dagelijks het aangezicht van de Vader die in de hemelen is. Mat. 18:10 Maar toch begeren zij een blik te werpen in de dingen waarmee de verkondigers van het evangelie ons gediend hebben. 1 Pet. 1:12 En naarmate de mensen dieper over de openbaring van God nadenken, worden ze meer gedrongen om met Paulus uit te roepen: ‘O diepte van de rijkdom zowel van Gods wijsheid als van zijn kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk zijn zijn wegen.’ Rom. 11:33 Daarom kan de openbaring haar einddoel niet hebben in de mens, maar gaat die voor een deel ook langs hem heen en stijgt die hoog boven hem uit.

Weliswaar neemt de mens in die openbaring een heel bijzondere plaats in. De openbaring richt zich tot de mensen, opdat zij de Heer zouden zoeken, of ze Hem misschien mochten tasten en vinden. Hand. 17:27 En het evangelie moet aan alle schepselen gepredikt worden, opdat ze zouden geloven en het eeuwige leven ontvangen zouden. Mar. 16: 15-16, Joh. 3:16, 3:36 Maar dat is niet het laatste en hoogste doel van de openbaring en kan dat ook niet zijn. God kan niet rusten in de mens. Nee, de mens hoort God te kennen en te dienen, om met en aan het hoofd van alle schepselen God de eer te brengen van al zijn werken. In de openbaring, of die nu door of langs de mens heengaat, bereidt God zichzelf lof, verheerlijkt Hij zijn eigen naam, spreidt Hij in de wereld van zijn schepselen voor zijn eigen ogen zijn deugden en volmaaktheden uit. Omdat de openbaring uit en door God is, heeft die ook in zijn verheerlijking haar bestemming en doel.

Deze hele openbaring, die uit en door en tot God is, heeft in de persoon van Christus haar middelpunt en bereikt tegelijk in Hem haar hoogtepunt. Niet het schitterende firmament en evenmin de machtige natuur, geen vorst of grote der aarde, geen filosoof of kunstenaar, maar de Mensenzoon is Gods hoogste openbaring. Christus is het vleesgeworden Woord, dat in het begin bij God en zelf God was, de eniggeborene van de Vader, het beeld van God, de afstraling van zijn heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid. Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien. Joh. 14:9 In dat geloof staat de christen. Hij heeft God leren kennen in het aangezicht van Jezus Christus, die Hij gezonden heeft. God zelf, die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene die in zijn hart geschenen heeft, om verlichting te geven door de kennis van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus. 2 Kor. 4:6

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in