Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.2 – Geloof 3.2.17 – Geloofszekerheid sluit twijfel niet uit

3.2.17 – Geloofszekerheid sluit twijfel niet uit

‘Maar,’ zal iemand zeggen, ‘gelovigen ervaren dat toch heel anders. Als ze nadenken over Gods genade voor hen, overkomt het hun niet alleen vaak dat ze gekweld worden door onzekerheid. Soms worden ze zelfs geschokt door verschrikkelijke angsten. Zo heftig zijn de beproevingen die hun hart in beroering brengen. En dat lijkt niet volledig te kloppen met die geloofszekerheid.’ Daarom moeten we dit probleem oplossen als we de hierboven genoemde leer overeind willen houden.

Als ik leer dat geloof zeker en onbekommerd moet zijn, stel ik me geen zekerheid voor die voor geen enkele twijfel vatbaar is en geen rust die door geen enkele zorg wordt aangetast. Nee, ik zeg juist dat gelovigen continu te kampen hebben met hun eigen gebrek aan vertrouwen. Het is dus absoluut niet zo dat ik beweer dat hun geweten een kalme rust kent, die door geen enkele beroering verstoort wordt. Maar aan de andere kant ontken ik dat ze teleurgesteld raken in het vaste vertrouwen dat ze zijn gaan stellen in Gods barmhartigheid. Dat vertrouwen laten ze niet los, op wat voor manier ze ook gekweld worden.

De Schrift geeft ons geen voorbeeld van geloof dat zo opvallend en de moeite van het vermelden waard is als dat van David. Vooral als we letten op heel zijn levensloop. Maar toch blijkt uit zijn talloze klachten dat hij niet altijd rust had. Het is voldoende om enkele van die klachten uit te kiezen. Als hij zichzelf zijn onrustige emoties verwijt, waar is hij dan anders boos om, dan om zijn eigen ongeloof? ‘Wat ben je neerslachtig, mijn ziel,’ zegt hij, ‘wat ben je onrustig in mij. Hoop op God!’ Psalm 42:6; 42:12; 43:5 Zijn verslagenheid was vast en zeker een openlijk gebrek aan vertrouwen, alsof hij dacht dat God hem verlaten had.

Ergens anders kun je een nog verdergaande bekentenis lezen: ‘Ik zei in mijn haast: ik ben weggevaagd van voor uw ogen.’ Psalm 31:23 Ergens anders gaat hij in zijn angstige en ellendige verwarring met zichzelf in discussie. Hij stelt zelfs Gods eigen aard ter discussie: ‘Is God vergeten om genadig te zijn? Zal Hij voor eeuwig verstoten?’ Nog erger is wat volgt: ‘En ik zei: ik moet omkomen. De rechterhand van de allerhoogste keert zich tegen mij.’ Psalm 77:8-11 Want in zijn wanhoop veroordeelt David zichzelf tot de ondergang. Hij erkent niet alleen dat hij gekweld wordt door twijfel, maar hij laat van zichzelf niets heel, alsof hij het onderspit gedolven heeft in de strijd. God heeft hem verlaten en Gods hand, die hem vroeger hielp, heeft zich tegen hem gekeerd om hem om te brengen. Daarom spoort hij zichzelf niet voor niets aan om terug te keren tot zijn rust. Psalm 116:7 Want hij had gemerkt dat hij omringd door woelende golven heen en weer geslingerd werd.

En toch is het wonderlijk: bij al die aanvallen blijft geloof het hart van de vromen ondersteunen. Het is echt net als met een palmboom: het buigt zich tegen alle moeilijkheden in en richt zich omhoog. Psalm 92:13 Zoals bij David. Het leek misschien alsof hij verslagen was. Maar toch bestrafte hij zichzelf en bleef hij zich oprichten tot God. En wie zich tegen zijn eigen zwakheid verzet en zich in zijn angst richt op het geloof, heeft voor een groot deel al overwonnen. Dat kun je opmaken uit de volgende uitspraak en andere zulke uitspraken: ‘Wacht op Jehova. Wees sterk en Hij zal je hart versterken. Ja, wacht op Jehova.’ Psalm 27:14 David beschuldigt zichzelf ervan dat hij bangelijk is. En door tweemaal hetzelfde te zeggen, erkent hij dat hij steeds maar weer te kampen heeft met onrust. Ondertussen heeft hij in deze gebreken niet alleen een hekel aan zichzelf. Hij doet ook zijn best om dat te corrigeren.

Echt, als we hem nauwkeurig vergelijken met Achaz, ontdekken we een groot verschil. Jesaja wordt gezonden met een remedie voor de angst van de goddeloze en huichelachtige koning. Hij spreekt hem aan met deze woorden: ‘Beheerst u zich en blijft u rustig. U hoeft niet bang te zijn …’ Maar wat doet Achaz? Eerst werd er over hem verteld dat zijn hart beefde, zoals de bomen in het woud bewogen worden door de wind. En hoewel hij de belofte gehoord heeft, blijft hij bang. Jesaja 7:2-12

Dit is dus de beloning en de straf die staat op ongeloof: dat je zo hevig siddert dat je je in een beproeving van God afkeert als je niet door geloof de deur voor jezelf opent. De gelovigen echter – als zij gebukt gaan en haast bezwijken onder de last van beproevingen, richten ze zich weer op. Dat gaat niet zonder pijn en moeite. Maar ze zijn zich bewust van hun eigen zwakheid en daarom bidden ze met de profeet: ‘Neem het woord van de waarheid niet volledig weg uit mijn mond.’ Psalm 119:43 Die woorden leren ons dat gelovigen soms verstommen, alsof hun geloof verslagen is. Maar ze bezwijken niet en slaan niet op de vlucht. Ze zetten hun strijd voort en sporen zich aan in hun laksheid door te bidden, om te voorkomen dat ze verlamd raken door gemakzucht.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.