Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.2 – Geloof 3.2.12 – Waar geloof en vals geloof

3.2.12 – Waar geloof en vals geloof

Bovendien, geloof is weliswaar het weten dat God ons goedgezind is en een vast vertrouwen op zijn waarheid. Maar toch is het niet vreemd dat het besef van Gods liefde overgaat bij degenen die tijdelijk gelovigen. Want dit besef ligt wel dicht tegen geloof aan, maar toch is het iets heel anders. Gods wil is onveranderlijk. Dat erken ik. Maar ik ontken dat verworpenen zover komen dat ze doordringen tot die verborgen openbaring die de Schrift alleen toekent aan de uitverkorenen. Ik ontken dus dat ze Gods wil aannemen als onveranderlijk of zijn waarheid blijvend omhelzen. Want ze komen niet verder dan een voorbijgaand besef. Het is net als bij een boom die niet diep genoeg gepland is om levende wortels te schieten. Na verloop van tijd verdort hij, ook al draagt hij een paar jaar lang niet alleen bloesem en blad, maar zelfs vrucht.

Kortom, door het verraad van de eerste mens kon het beeld van God uit zijn geest en ziel gewist worden. En dus is het ook niet vreemd als God verworpenen verlicht met enkele stralen van zijn genade en dat Hij die stralen later laat uitdoven. Ook verhindert niets dat Hij sommigen een klein beetje besprenkelt met de kennis van zijn evangelie en anderen daar volledig mee doordrenkt.

Ondertussen moeten we weten dat het stempel van het geloof nooit verwijderd kan worden uit het hart van de uitverkorenen, hoe klein en zwak dat geloof ook is. Want Gods Geest vormt een betrouwbaar waarborg en zegel dat ze zijn geadopteerd als kinderen. Efeziërs 1:14; 2 Korinthiërs 1:22 Verworpenen worden weliswaar besprenkeld met een licht dat later verdwijnt. De Geest maakt het zaad dat Hij in hun hart strooit niet levend. Hij laat het niet onvergankelijk in hun hart blijven, zoals in het hart van de uitverkorenen. Toch maakt dat de Geest nog niet onbetrouwbaar.

Ik ga nog een stapje verder: op grond van de leer van de Schrift en op grond van onze dagelijkse ervaring staat vast dat verworpenen soms getroffen worden door een besef van Gods genade. Daarom kan het niet anders of er wordt in hun hart een verlangen gewekt om van hun kant ook God lief te hebben. In Saul bijvoorbeeld leefde een tijdlang een vrome genegenheid om God lief te hebben. Want hij wist dat God Hem als een Vader behandelde en daarom trok Gods goedheid hem aan als iets heerlijks. 1 Samuël 9-11 Maar de overtuiging dat God hen liefheeft als Vader is niet stevig geworteld in verworpenen. En dus gaat hun liefde voor Hem als kinderen ook niet diep. Ze worden geleid door een genegenheid als van een ingehuurde arbeider voor zijn baas. Want alleen Christus heeft de Geest van de liefde gekregen, op voorwaarde dat Hij die indruppelt in zijn ledematen. En deze woorden van Paulus reiken zeker niet verder dan de uitverkorenen: ‘Gods liefde is in ons hart uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is.’ Romeinen 5:5 Dat is de Geest die ons het vertrouwen geeft om God aan te roepen, zoals ik hierboven genoemd heb.

Maar aan de andere kant zien we ook dat God op een verbazingwekkende manier boos wordt op zijn kinderen, die Hij toch blijft liefhebben. Hij haat hen niet, maar Hij wil hen opschrikken door hen zijn woede te laten beseffen. Zo wil Hij hun vleselijke hoogmoed vernederen, hun laksheid verdrijven en hen opwekken tot berouw. Daarom beseffen ze dat Hij op hetzelfde moment boos op hen is en hun genadig is. Want het is geen huichelarij als ze bidden of Hij zijn woede wil afwenden. Ze vluchten naar Hem omdat ze erop vertrouwen dat ze bij Hem veilig zijn.

Uit deze dingen blijkt wel dat sommigen geen geloof huichelen en toch echt geloof missen. Ze worden gedreven door een plotseling enthousiasme, maar ze bedriegen zichzelf met een vals idee. Ongetwijfeld zijn ze bevangen door een zorgeloosheid die voorkomt dat ze hun hart grondig onderzoeken, zoals ze horen te doen. Dat was er waarschijnlijk aan de hand met degenen aan wie Christus zich – zo getuigt Johannes – niet toevertrouwde. Want ook al geloofden ze wel in Hem, Hij kende iedereen en wist wat er in de mens leefde. Johannes 2:24-25 Velen vielen van het gewone geloof – ik noem dat ‘gewoon’ geloof omdat tijdelijk geloof sterk lijkt op levend en blijvend geloof – af. Anders zou Christus niet tegen zijn leerlingen gezegd hebben: ‘Als jullie blijven in mijn Woord, dan zijn jullie werkelijk mijn leerlingen. Dan zullen jullie de waarheid begrijpen en zal de waarheid jullie vrijmaken.’ Johannes 8:31-32 Want Hij spreekt hier tegen degenen die zijn leer omhelsd hadden. Hij spoort hen aan om verder te komen in geloof, om te voorkomen dat hun laksheid het licht zou uitdoven dat hun gegeven was. Daarom kent Paulus dit geloof alleen specifiek toe aan de uitverkorenen. Titus 1:1 Daarmee geeft hij aan dat velen verdwijnen omdat ze geen levende wortel geschoten hebben. Zo spreekt Christus ook bij Mattheüs: ‘Elke boom die mijn Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.’ Mattheüs 15:13

In anderen is er een nog veel ergere leugen. Zij schamen zich er niet voor om God en mensen te bespotten. Jacobus geeft dit soort mensen, die onder een vals voorwendsel het geloof ontheiligen, ervan langs. Jacobus 2:14-26 En Paulus zou geen oprecht geloof eisen van Gods kinderen, 1 Timotheüs 1:5 als niet velen zich brutaal aanmatigden wat ze niet hebben en door loze schijn anderen of soms zichzelf misleidden. Daarom vergelijkt hij een goed geweten met een kist waar je het geloof in bewaart. Want velen hebben het goede geweten opgegeven en daardoor hebben ze schipbreuk geleden in het geloof. 1 Timotheüs 1:19

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.