3.19.6 – We hoeven ons niet te laten ontmoedigen door onze zonden

0
100

En dat is de reden waarom de schrijver van de brief aan de Hebreeën alle goede daden die, zo lezen we, de heilige aartsvaders gedaan hebben, toeschrijft aan het geloof. Daarom beoordeelt hij ze alleen op basis van het geloof.1

Over deze vrijheid gaat een belangrijke passage in de brief aan de Romeinen. Paulus betoogt daar dat de zonde niet in ons mag regeren, omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade. Eerst had hij de gelovigen vermaand dat de zonde niet in hun sterfelijk lichaam mocht regeren en dat ze hun ledematen niet ter beschikking mochten stellen aan de zonde, als wapens van de onrechtvaardigheid. Ze moesten zich wijden aan God als doden die levend geworden waren en ze moesten hun ledematen ter beschikking stellen aan God, als wapens van de rechtvaardigheid. Maar zij konden daartegen inbrengen dat ze het vlees nog met zich meedroegen, vol hartstochtelijke begeerten. De zonde woonde nog in hen. Daarom voegt Paulus er als troost aan toe dat ze vrij waren van de wet. Het is net alsof hij zei: ook al voelen ze duidelijk dat de zonde nog niet is uitgedoofd en de rechtvaardigheid nog niet in hen leeft, toch is er geen reden waarom ze bang zouden zijn en de moed zouden laten zakken, alsof God steeds boos zou blijven om de restanten van de zonde. Door de genade zijn ze bevrijd van de wet. Hun daden worden niet meer beoordeeld volgens de norm van de wet.2

Maar degenen die hieruit opmaken dat je mag zondigen omdat we niet meer onder wet staan, moeten begrijpen dat deze vrijheid niet op hen slaat. Want het doel van deze vrijheid is ons aan te sporen tot het goede.

1Hebreeën 11

2Romeinen 6:12-14

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in