Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.18 – Rechtvaardigheid en beloning 3.18.9 – Loon verdienen kan alleen met volmaakte rechtvaardigheid

3.18.9 – Loon verdienen kan alleen met volmaakte rechtvaardigheid

Ik wil niet stuk voor stuk alle bewijzen langsgaan die de dwaze leraren van de Sorbonne-universiteit tegenwoordig zo onbezonnen uit de Schrift halen en tegen mij afschieten, welke ze maar als eerste tegenkomen. Sommige zijn zo belachelijk dat ik ze zelfs niet kan noemen, als ik niet terecht als dwaas beschouwd wil worden. Daarom wil ik ermee ophouden nadat ik een uitspraak van Christus uitgelegd heb, waar zij een wonderlijk genoegen in scheppen. Want als een wetgeleerde vraagt wat er nodig is om gered te worden, antwoordt Christus: ‘Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan de geboden.’ Mattheüs 19:17 Wat willen we nog meer, vragen mijn tegenstanders, als de gever van de genade zelf beveelt om Gods koninkrijk in handen te krijgen door je aan de geboden te houden?

Alsof niet vaststaat dat Christus zijn antwoorden aanpaste aan degenen met wie Hij te maken bleek te hebben. Hier ondervraagt een leraar van de wet Hem over de manier waarop we gered kunnen worden. En dat niet alleen. Hij vraagt wat de mensen moeten doen om dat te bereiken. De persoon van de spreker en de vraag zelf brachten te Heer ertoe om te antwoorden zoals Hij deed. De wetgeleerde was zo doortrokken van de overtuiging dat in de wet rechtvaardigheid lag, dat hij blind vertrouwde op zijn eigen daden. Zodoende vroeg hij niets anders dan welke daden rechtvaardige daden waren waarmee de redding verdiend kon worden. Dus is het terecht dat hij verwezen wordt naar de wet, die een volmaakte spiegel van rechtvaardigheid is.

Ook ik verkondig in duidelijke bewoordingen dat we ons aan de geboden moeten houden als we het leven zoeken in onze daden. En het is voor christenen nodig dat ze deze leer kennen. Want hoe zouden ze tot Christus kunnen vluchten als ze niet beseften dat ze van de weg van het leven in de afgrond van de dood gestort zijn? En hoe zouden ze kunnen begrijpen hoe ver ze van de weg van het leven afgedwaald zijn, als ze niet eerst begrepen hoe die weg eruit ziet? Ze kunnen er dus pas op gewezen worden dat Christus het toevluchtsoord is om redding te krijgen, als ze zien hoe groot het verschil is tussen hun leven en Gods rechtvaardigheid, die ligt in het je houden aan de wet.

In de kern komt het hierop neer: als je je redding zoekt in je daden, moet je je houden aan de geboden. Door die geboden wordt ons volmaakte rechtvaardigheid geleerd. Maar als we niet onderweg willen bezwijken, moeten we daar niet bij blijven stilstaan. Want niemand van ons is in staat zich aan de geboden te houden. Dus is de rechtvaardigheid van de wet voor ons uitgesloten. Daarom moeten we ons tot een ander hulpmiddel wenden: geloof in Christus.

Hier roept de Heer een wetgeleerde, van wie Hij wist dat hij verwaand was uit een ongefundeerd vertrouwen op zijn eigen daden, terug naar de wet. Daar moest hij uit leren dat hij een zondaar is, onderworpen aan het vreselijke oordeel van de eeuwige dood. Maar ergens anders troost de Heer anderen die al door zo’n zelfkennis vernederd zijn. Dan noemt Hij de wet niet, maar troost Hij hen met de belofte van genade, door te zeggen: ‘Kom naar Mij, ieder die vermoeid en belast is, en Ik zal jullie rust geven. Dan zullen jullie rust vinden voor jullie ziel.’ Mattheüs 11:28-29

Ik wil niet stuk voor stuk alle bewijzen langsgaan die de dwaze leraren van de Sorbonne-universiteit tegenwoordig zo onbezonnen uit de Schrift halen en tegen mij afschieten, welke ze maar als eerste tegenkomen. Sommige zijn zo belachelijk dat ik ze zelfs niet kan noemen, als ik niet terecht als dwaas beschouwd wil worden. Daarom wil ik ermee ophouden nadat ik een uitspraak van Christus uitgelegd heb, waar zij een wonderlijk genoegen in scheppen. Want als een wetgeleerde vraagt wat er nodig is om gered te worden, antwoordt Christus: ‘Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan de geboden.’1 Wat willen we nog meer, vragen mijn tegenstanders, als de gever van de genade zelf beveelt om Gods koninkrijk in handen te krijgen door je aan de geboden te houden?

Alsof niet vaststaat dat Christus zijn antwoorden aanpaste aan degenen met wie Hij te maken bleek te hebben. Hier ondervraagt een leraar van de wet Hem over de manier waarop we gered kunnen worden. En dat niet alleen. Hij vraagt wat de mensen moeten doen om dat te bereiken. De persoon van de spreker en de vraag zelf brachten te Heer ertoe om te antwoorden zoals Hij deed. De wetgeleerde was zo doortrokken van de overtuiging dat de rechtvaardigheid in de wet lag, dat hij blind vertrouwde op zijn eigen daden. Zodoende vroeg hij niets anders dan welke daden rechtvaardige daden waren waarmee de redding verdiend kon worden. Dus is het terecht dat hij verwezen wordt naar de wet, die een volmaakte spiegel van de rechtvaardigheid is.

Ook ik verkondig in duidelijke bewoordingen dat we ons aan de geboden moeten houden als we het leven zoeken in onze daden. En het is voor christenen nodig dat ze deze leer kennen. Want hoe zouden ze tot Christus kunnen vluchten als ze niet beseften dat ze van de weg van het leven in de afgrond van de dood gestort zijn? En hoe zouden ze kunnen begrijpen hoe ver ze van de weg van het leven afgedwaald zijn, als ze niet eerst begrepen hoe die weg eruit ziet? Ze kunnen er dus pas op gewezen worden dat Christus het toevluchtsoord is om de redding te krijgen, als ze zien hoe groot het verschil is tussen hun leven en Gods rechtvaardigheid, die ligt in het je houden aan de wet.

In de kern komt het hierop neer: als je je redding zoekt in je daden, moet je je houden aan de geboden. Door die geboden wordt ons volmaakte rechtvaardigheid geleerd. Maar als we niet onderweg willen bezwijken, moeten we daar niet bij blijven stilstaan. Want niemand van ons is in staat zich aan de geboden te houden. Dus is de rechtvaardigheid van de wet voor ons uitgesloten. Daarom moeten we ons tot een ander hulpmiddel wenden: het geloof in Christus.

Hier roept de Heer een wetgeleerde, van wie Hij wist dat hij verwaand was uit een ongefundeerd vertrouwen op zijn eigen daden, terug naar de wet. Daar moest hij uit leren dat hij een zondaar is, onderworpen aan het vreselijke oordeel van de eeuwige dood. Maar ergens anders troost de Heer anderen die al door zo’n zelfkennis vernederd zijn. Dan noemt Hij de wet niet, maar troost Hij hen met de belofte van genade, door te zeggen: ‘Kom naar Mij, ieder die vermoeid en belast is, en Ik zal je rust geven. Dan zullen jullie rust vinden voor jullie ziel.’2

1Mattheüs 19:17

2Mattheüs 11:28-29

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.