3.18.5 – De basis voor het loon is vergeving

0
130

Daarom, als de Schrift zegt dat God, de rechtvaardige rechter, de zijnen eens de overwinningskrans van de rechtvaardigheid zal geven,1 antwoord ik met Augustinus: ‘Aan wie zou de rechtvaardige rechter die krans geven, als de barmhartige Vader geen genade geschonken had? En hoe zou er rechtvaardigheid kunnen zijn als er niet eerst genade geweest was om de goddeloze te rechtvaardigen? Hoe zouden er nu verschuldigde dingen gegeven kunnen worden als er niet eerst onverschuldigde dingen gegeven waren?’2

Maar ik voeg er nog iets anders aan toe: hoe zou God rechtvaardigheid kunnen toekennen aan onze daden als Hij niet door zijn welwillendheid verborg wat er nog aan onrechtvaardigheid in die daden is? Hoe zou Hij onze daden loon waard keuren als Hij niet door zijn oneindige goedheid wegnam wat er in onze daden nog straf verdient? Augustinus heeft de gewoonte om het eeuwige leven genade te noemen omdat, als de werken beloond worden, Gods gratis gaven beloond worden. Maar de Schrift vernedert ons nog meer en richt ons meteen ook op. Want de Schrift verbiedt ons niet alleen dat we ons laten voorstaan op onze daden, omdat het gratis gaven van God zijn. De Schrift leert ook dat onze daden nog altijd bezoedeld zijn met vuil. Daarom kunnen ze God geen genoegdoening geven als ze onderzocht worden volgens de norm van zijn oordeel. Maar om te voorkomen dat ons enthousiasme zou inzakken, leert de Schrift bovendien dat onze daden God enkel door vergeving toch plezier doen.

Augustinus spreekt dus een beetje anders dan ik. Maar inhoudelijk verschilt hij niet zo sterk van mij. Dat blijkt uit zijn woorden in boek 3 van Aan Bonifacius, hoofdstuk 5. Daar vergelijkt hij twee mensen met elkaar. Het leven van de een is haast een wonder van heiligheid en volmaaktheid. De ander is wel goed en moreel zuiver, maar toch niet zo volmaakt dat er niet nog veel op hem aan te merken is. Ten slotte trekt hij deze conclusie: ‘De laatste lijkt moreel achter te staan bij de ander. Maar als hij bevrijdt wordt uit dit leven, verhuist hij naar de gemeenschap met Christus, vanwege zijn oprechte geloof. Uit dat geloof leeft hij en volgens dat geloof beschuldigt hij zichzelf van alle misdaden en prijst hij in al zijn goede daden God. Zichzelf kent hij de schande toe en God de eer, omdat hij van Hem vergeving krijgt voor zijn zonden en liefde voor goede daden. Waarom anders dan om zijn geloof? Weliswaar redt dat geloof niemand zonder goede daden. Het geloof werkt immers door liefde. Anders zou het geen waar geloof zijn. Toch worden door dit geloof ook de zonden vergeven, omdat de rechtvaardige leeft door het geloof. Maar zonder geloof worden daden die goed lijken, veranderd in zonden.’3 Hier erkent Augustinus in elk geval duidelijk wat ik met zoveel klem beweer: de rechtvaardigheid van onze goede daden is het gevolg van het feit dat onze daden voor God aangenaam zijn dankzij de vergeving. Dat wil zeggen: dankzij barmhartigheid en niet op grond van zijn oordeel.

12 Timotheüs 4:8

2Augustinus, De gratia et libero arbitrio ad Valentinum 6,14

3Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,14

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in