3.18.2 – Het loon is een onverdiende erfenis

0
105

Het woord ‘loon’ vormt voor ons geen argument dat onze daden de oorzaak zijn voor ons behoud. In ons hart moet in de eerste plaats vaststaan dat het koninkrijk van de hemel niet het loon is voor slaven, maar een erfenis voor kinderen. Alleen wie de Heer als kinderen geadopteerd heeft, krijgen deze erfenis. En deze adoptie is daarvoor de enige reden. ‘Want de zoon van de slavin zal geen erfgenaam zijn, maar de zoon van de vrije.’1

Juist op die plaatsen waar de Heilige Geest belooft dat de eeuwige heerlijkheid het loon zal zijn voor onze daden, bewijst Hij daarom dat dat loon voor ons ergens anders vandaan komt. Als Christus de uitverkorenen roept om de hemel te bezitten, somt Hij op welke daden Hij met dat loon beloont. Maar Hij voegt er tegelijk ook aan toe dat ze dat loon moeten bezitten via het recht van de erfenis.2 En Paulus beveelt de slaven om trouw hun plicht te doen en te hopen op een vergoeding van de Heer. Maar hij voegt eraan toe: van de erfenis.3

We zien dat ze er, als het ware met vast voorgeschreven termen, nauwkeurig voor oppassen dat ze het ontvangen van het eeuwige geluk zouden toeschrijven aan onze daden in plaats van aan onze adoptie door God. Waarom noemen ze dan tegelijk toch onze daden? Deze vraag kan ik ophelderen met één voorbeeld uit de Schrift.

Voor de geboorte van Isaak was aan Abraham nageslacht beloofd waarin alle volken van de aarde gezegend zouden worden. En dat dat nageslacht zich zo zou vermenigvuldigen dat het net zo groot zou worden als het aantal sterren aan de hemel en de hoeveelheid zand aan de zee. En meer van zulke dingen.4 Vele jaren later maakt Abraham zich op om zijn zoon te offeren, zoals hem in een goddelijke uitspraak bevolen was. Toen hij dit gehoorzaam gedaan had, kreeg hij deze belofte: ‘Ik heb bij Mijzelf gezworen, zegt de HEER: omdat jij dit gedaan hebt en je zoon, je enige, Mij niet onthouden hebt, zal ik je zegenen en je nageslacht vermenigvuldigen, net als de sterren aan de hemel en het zand aan de zee. Je nageslacht zal de poorten van zijn vijanden in bezit nemen en in jouw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat jij mijn stem gehoorzaamd hebt.’5

Wat horen we? Heeft Abraham met zijn gehoorzaamheid de zegen verdiend die hem al beloofd was vóór hij het bevel had gekregen? Hier zien we ondubbelzinnig dat de Heer de daden van de gelovigen beloont met de gaven die Hij hun al gegeven heeft, voordat ze er maar aan dachten om goede daden te doen. Hij heeft dus geen enkele reden om hen goed te doen, behalve zijn barmhartigheid.

1Galaten 4:30; Galaten 4:7; Efeziërs 1:18; Efeziërs 1:5-6

2Mattheüs 25:34

3Kolossenzen 3:24

4Genesisi 15:5; Genesis 17:1; Genesis 18:18

5Genesis 22:16-18

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in