3.18.1 – God beloont goede daden

0
424

Laten we nu verdergaan met de uitspraken die verzekeren dat God ieder zal belonen op basis van zijn daden.

Dit zijn zulke uitspraken: ‘Ieder zal uitbetaald krijgen wat hij in het lichaam gedaan heeft, of het nu goed was of slecht.’1 ‘Wie goed doet, aan hem heerlijkheid en eer, maar verdrukking en benauwdheid voor ieder die het kwade doet.’2 En: ‘Zij zullen gaan: wie het goede gedaan hebben, gaan naar de opstanding van het leven en die het kwade gedaan hebben, gaan naar de opstanding van het oordeel.’3 ‘Kom, gezegenden van mijn Vader! Ik had honger en jullie hebben mij eten gegeven. Ik had dorst en jullie hebben mij drinken gegeven.’4

Laten we daar nog de uitspraken bij nemen die het eeuwige leven het loon voor onze daden noemen. Tot die categorie horen deze uitspraken: ‘De mens zal vergoed krijgen wat hij met zijn handen doet. Wie het gebod vreest, zal beloond worden.’5 ‘Wees blij en verheug jullie! Kijk, jullie loon is groot in de hemel.’6Ieder zal loon krijgen in overeenstemming met zijn werk.’7

Dat er gezegd wordt dat God ieder zal betalen in overeenstemming met wat hij gedaan heeft, kan ik gemakkelijk oplossen. Want deze manier van spreken geeft eerder de volgorde aan dan de oorzaak. En er is geen twijfel aan dat de Heer via deze stappen zijn barmhartigheid uitvoert: de uitverkoren roept Hij naar zich toe, de geroepenen rechtvaardigt Hij en de gerechtvaardigden verheerlijkt Hij.8 Weliswaar neemt Hij de zijnen alleen door zijn barmhartigheid aan in het leven. Maar toch is het dus niet zo vreemd dat er van hen gezegd wordt dat ze gekroond worden in overeenstemming met hun daden. Want Hij brengt hen naar het leven via de route van de goede daden. Zo voert Hij zijn werk uit in hen in de volgorde die Hij heeft vastgesteld. En door die daden worden ze ongetwijfeld klaar gemaakt om de erekrans van de onsterfelijkheid te ontvangen.

Daarom wordt er dus terecht over hen gezegd dat ze zelf hun redding bewerken.9 Want door ijverig het goede te doen, denken ze na over het eeuwige leven. Dat klopt met dat hun ergens anders geboden wordt om te werken voor het voedsel dat niet vergaat. Door in Christus te geloven, verdienen ze het leven voor zichzelf. En toch wordt er meteen aan toegevoegd: ‘Het voedsel dat de mensenzoon jullie zal geven.’10 Daaruit blijkt dat het woord ‘werken’ absoluut geen tegenstelling vormt met de genade. Het heeft te maken met onze ijver. En daarom betekent dat niet dat de gelovigen zelf hun redding bewerken of dat deze het gevolg is van hun eigen werk.

Hoe zit het dan? Zodra ze door het kennen van het evangelie en door de verlichting door de Heilige Geest opgenomen zijn in de gemeenschap met Christus, is in hen het eeuwige leven begonnen. En het goede werk dat God in hen begonnen is, moet ook afgemaakt worden op de dag van de Heer Jezus.11 En het wordt afgemaakt als ze door rechtvaardigheid en heiligheid een afspiegeling vormen van de hemelse Vader en zo bewijzen dat ze zijn niet ontaarde kinderen zijn.

12 Korinthiërs 5:10

2Romeinen 2:6-10

3Johannes 5:29

4Mattheüs 25:34-35; Mattheüs 25:42

5Spreuken 12:14; Spreuken 13:13

6Mattheüs 5:12; Lucas 6:23

71 Korinthiërs 3:8

8Romeinen 8:30

9Filippenzen 2:12

10Johannes 6:27

11Filippenzen 1:6

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in