Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.17 – Beloften van wet en evangelie 3.17.14 – Gelovigen beroepen zich op hun rechtvaardigheid vergeleken met goddelozen

3.17.14 – Gelovigen beroepen zich op hun rechtvaardigheid vergeleken met goddelozen

Verder bestrijden mijn tegenstanders mij op basis van Schriftpassages waarin de gelovigen God vrijmoedig aanbieden dat Hij hun rechtvaardigheid mag onderzoeken en dat ze graag volgens die rechtvaardigheid beoordeeld willen worden. Bijvoorbeeld: ‘Oordeel mij volgens mijn rechtvaardigheid en volgens mijn onschuld, die in mij zijn.’ Psalm 7:9 En: ‘God, luister naar mijn rechtvaardigheid! U hebt mijn hart getoetst en ’s nachts bezocht en er is geen onrechtvaardigheid in mij gevonden.’ Psalm 17:1-3 En: ‘De HEER zal mij belonen in overeenstemming met mijn rechtvaardigheid en Hij zal mij betalen in overeenstemming met de reinheid van mijn handen. Want ik heb de wegen van de HEER bewaard en ben niet goddeloos van mijn God afgeweken. En ik zal onbezoedeld zijn en oppassen voor onrechtvaardigheid.’ Psalm 18:21-24 En: ‘Doe mij recht HEER, want ik heb onschuldig geleefd. Ik heb niet bij bedriegers gezeten en ik zal niet bij misdadigers komen. Laat mijn ziel niet samen met de goddelozen verloren gaan of mijn leven samen met de moordenaars. Hun handen zijn vol onrechtvaardigheid, hun rechterhand vol geschenken. Maar ik heb onschuldig geleefd.’ Psalm 26

Ik heb het er hiervóór over gehad dat heiligen alleen vertrouwen lijken te ontlenen aan hun daden. Welnu, de Schriftbewijzen die ik tot nu toe geciteerd heb, leveren ons niet veel problemen op als we ze nemen in hun context of, zoals men meestal zegt, in hun omstandigheden. Die zijn tweevoudig. Deze gelovigen willen niet dat er in het algemeen onderzoek naar hen gedaan wordt om op grond van heel hun levensloop veroordeeld of vrijgesproken te worden. Nee, ze brengen een specifieke kwestie voor het gerecht. Daar willen ze een uitspraak over. En ze matigen zich geen rechtvaardigheid aan ten opzichte van Gods volmaaktheid, maar in vergelijking met slechte en verdorven mensen.

Om te beginnen, als het gaat over de rechtvaardiging van een mens, is het niet alleen maar nodig dat hij in een bepaalde zaak sterk staat. Nee, heel zijn leven moet continu in overeenstemming zijn met rechtvaardigheid. Welnu, als heiligen Gods oordeel inroepen om hun onschuld te bewijzen, presenteren ze zichzelf niet als vrij van alle schuld en in alle opzichten onberispelijk. Maar voor hun behoud vertrouwen ze alleen op Gods goedheid. Daarom bevelen ze toch de zaak waarin ze onschuldig verdrukt worden aan Hem aan. Want ze vertrouwen erop dat Hij de armen wreekt die onrechtvaardig en oneerlijk getroffen worden.

En als ze hun tegenstanders samen met hen voor Gods rechterstoel plaatsen, laten ze zich niet voorstaan op een onschuld die in een streng onderzoek voldoende zou blijken om aan Gods reinheid te beantwoorden. Maar ze weten dat God, in vergelijking met de boosaardigheid, slechtheid, sluwheid en verdorvenheid van hun tegenstanders, bekend is met hun oprechtheid, rechtvaardigheid, ondubbelhartigheid en reinheid en daar blij mee is. Daarom zijn ze niet bang om een beroep op Hem te doen als rechter tussen henzelf en hun tegenstanders.

Daarom zei David tegen Saul: ‘De HEER moet ons elk maar belonen in overeenstemming met zijn rechtvaardigheid en trouw.’ 1 Samuël 26:23 Hij bedoelde daarmee niet dat de Heer hen elk op zichzelf zou onderzoeken en belonen volgens zijn verdiensten. Nee, hij getuigde voor de Heer hoe groot zijn onschuld was in vergelijking met Sauls onrechtvaardigheid.

En Paulus laat zich erop voorstaan dat zijn geweten voor hem getuigt dat hij zich ondubbelhartig en oprecht in Gods kerk gedragen heeft. 2 Korinthiërs 1:12 Maar zelfs daarop wil hij niet vertrouwen tegenover God. Hij verdedigt alleen zijn trouw en oprechtheid omdat hij daartoe gedwongen werd door de laster van de goddelozen. Ondanks al het kwaadspreken van mensen wist hij dat God in zijn welwillendheid blij was met die trouw en oprechtheid. Immers, ergens anders zien we dat Paulus zegt dat hij zich van geen kwaad bewust is, maar toch daardoor nog niet gerechtvaardigd is. 1 Korinthiërs 4:4 Want hij begreep dat Gods oordeel ver uitgaat boven de bedorven blik van mensen.

Vromen verdedigen hun onschuld dus wel tegenover de huichelarij van goddelozen, met God als getuige en rechter. Maar als ze met God alleen te maken hebben, roepen ze toch allemaal uit één mond: ‘Als U, Heer, let op de zonden, wie, Heer, kan dan bestaan?’ Psalm 130:3 En: ‘Ga geen rechtszaak aan met uw knechten. Want niemand die leeft, zal in uw ogen gerechtvaardigd worden.’ Psalm 143:2 En omdat ze geen vertrouwen stellen in hun daden, zingen ze graag: ‘Uw goedheid is beter dan het leven!’ Psalm 63:4

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.