3.14.7 – Het draait om een rein hart

0
81

Dit geldt ook voor de tweede en de derde categorie mensen uit de hierboven genoemde indeling. Want de onzuiverheid van hun geweten bewijst dat deze beide categorieën nog niet door Gods Geest opnieuw geboren zijn. En het feit dat zij nog niet opnieuw geboren zijn, verraadt vervolgens dat zij het geloof nog missen. En daaruit blijkt dat ze nog niet met God verzoend zijn en dat ze in zijn ogen nog niet gerechtvaardigd zijn. Want die zegeningen krijg je alleen door geloof.

Wat kunnen zondaars die van God vervreemd zijn anders voortbrengen dan dingen die voor zijn oordeel afgekeurd worden? Zowel alle goddelozen als vooral de huichelaars zijn verwaand en vol dwaas vertrouwen. Ze weten dat heel hun hart vol vuil is. Maar als ze enkele ogenschijnlijke goede daden doen, denken ze toch dat die daden zoveel waard zijn dat God ze niet mag afwijzen. Vandaar die gevaarlijke dwaling dat ze er niet toe gebracht kunnen worden dat ze erkennen dat alle rechtvaardigheid missen, ook al zijn ze er wel van overtuigd dat hun hart slecht en goddeloos is. Maar ook al erkennen ze dat ze onrechtvaardig zijn – want dat kunnen ze niet ontkennen – toch matigen ze zich enige rechtvaardigheid aan.

Deze ijdelheid weerlegt de Heer heel mooi via de profeet Haggaï. Hij zegt: ‘Vraag de priesters: “Als iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn mantel en daarmee brood of ander voedsel aanraakt, zal dat dan heilig worden?” En de priesters antwoordden: “Nee.” En Haggaï zei: “Als iemand die onrein is van een dood lichaam iets van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden?” En de priesters antwoordden: “Ja, het zal onrein worden.” Toen zei Haggaï: “Dan is het volk voor mijn aangezicht, spreekt de HEER, en dan is al het werk van hun handen en alles wat ze Mij offeren dus onrein.””1

Och, konden wij die uitspraak maar echt geloven of goed in ons geheugen prenten! Want er is niemand, hoe verdorven hij in heel zijn leven ook is, die zich wil laten overtuigen van wat de Heer hier duidelijk uitspreekt. Zodra een van de slechtste mensen één of twee plichten van de wet vervuld heeft, twijfelt hij er niet aan dat hem dat als rechtvaardigheid wordt aangerekend. Maar integendeel, de Heer roept dat dat geen heiliging oplevert, tenzij eerst het hart gezuiverd is. En dat is nog niet alles. Want Hij verklaart ook dat alle daden die verricht worden door zondaars, besmet zijn door de onreinheid van hun hart.

Weg dus met de benaming ‘rechtvaardigheid’ voor die daden die door de mond van God veroordeeld worden vanwege hun onreinheid! En dat laat Hij zien met een heel mooie vergelijking. Want je zou kunnen tegenwerpen dat wat de Heer geboden heeft onontkoombaar heilig is. Maar Hijzelf gaat daar dwars tegenin en zegt dat het logisch is dat wat in de wet van de Heer geheiligd is, besmeurd raakt door het vuil van de goddelozen. Want als een onreine hand iets heiligs aanraakt, wordt het ontheiligt.

1Haggaï 2:11-14 (2:12-15)

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in