Insitutie Boek 3 – Het delen in Christus 3.14 – Rechtvaardiging en heiliging 3.14.6 – De mens kan zelf niets bijdragen aan zijn rechtvaardiging

3.14.6 – De mens kan zelf niets bijdragen aan zijn rechtvaardiging

Steeds weer komt bij mij dezelfde gedachte op: loop ik geen gevaar dat ik Gods barmhartigheid onrecht doe doordat ik zo angstvallig mijn best doe die te verdedigen alsof het iets twijfelachtigs of onduidelijks is? Maar wij zijn nu eenmaal zo slecht dat we nooit aan God overlaten wat van Hem is, als we niet heel krachtig in toom gehouden worden. Daarom zie ik me gedwongen hier wat langer bij stil te staan. Maar omdat de Schrift over dit onderwerp duidelijk genoeg is, voer ik de discussie liever met haar woorden dan met die van mij.

Jesaja beschreef het algemene bederf van het menselijk geslacht. Vervolgens voegde hij daar heel mooi aan toe op welke manier dat bederf weer hersteld wordt: ‘De HEER zag het en het was slecht in zijn ogen. Hij zag dat er niemand was en Hij verwonderde zich dat er niemand was die tussenbeide kwam. En Hij nam de redding in eigen hand en versterkte zichzelf met zijn rechtvaardigheid.’ Jesaja 59:15-16 Waar zijn onze rechtvaardige daden, als het waar is wat de profeet zegt, dat er niemand is die de Heer helpt in het terugkrijgen van zijn behoud?

Daarom zegt een andere profeet, als hij vertelt wat de Heer doet om de zondaren te verzoenen: ‘Ik zal mij met jou verloven in rechtvaardigheid, recht, welwillendheid en barmhartigheid. Ik zal zeggen tegen haar die geen barmhartigheid gekregen heeft: jij die barmhartigheid gekregen hebt!’ Hosea 2:18:22 (2:21-25) Als zo’n verbond, dat vast en zeker onze eerste band met God is, steunt op Gods barmhartigheid, blijft er geen enkele basis meer over voor onze eigen rechtvaardigheid.

Echt, van degenen die beweren dat de mens met een beetje rechtvaardigheid op grond van eigen daden God tegemoet komt – van hen zou ik wel eens willen weten of ze vinden of er nog een andere rechtvaardigheid kan zijn dan de rechtvaardigheid waar God blij mee is. Als het onzin is om zoiets te denken, wat kan God dan van zijn vijanden krijgen waar Hij blij mee is? Hij wijst hen immers volledig af, met al hun daden. En volgens mij zijn wij, zo verklaart de waarheid, allemaal uitgesproken doodsvijanden van onze God, totdat we gerechtvaardigd worden en als zijn vrienden worden aangenomen. Romeinen 5:10; Kolossenzen 1:21 Als de rechtvaardiging het begin van liefde is, welke rechtvaardige daden kunnen daar dan aan voorafgaan?

Om deze gevaarlijke arrogantie af te wenden, wijst Johannes ons er met nadruk op dat wij niet eerst Hem liefgehad hebben. 1 Johannes 4:10 En datzelfde had de Heer vroeger al geleerd via zijn profeet: ‘Ik zal hen liefhebben,’ zegt Hij, ‘met een vrijwillige liefde. Want mijn woede heeft zich van hen afgewend.’ Hosea 14:5 Als Hij zich vrijwillig tot ons gekeerd heeft, wordt zijn liefde natuurlijk niet gewekt door onze daden.

Maar de onwetende massa denkt dat dit niets anders betekent dan dat niemand verdiend heeft dat Christus onze verlossing zou volbrengen en dat wij door onze daden geholpen worden om onze verlossing in bezit te krijgen. Integendeel, ook al zijn we door Christus verlost, zolang we nog niet door de Vader worden geroepen en nog niet ingelijfd worden om deel te krijgen aan Christus, zijn we nog steeds erfgenamen van duisternis en dood en tegenstanders van God. Want Paulus leert dat we pas van onze onreinheid door het bloed van Christus gereinigd en gewassen worden als de Geest die reiniging in ons werkt. 1 Korinthiërs 6:11

Petrus wil hetzelfde zeggen. Hij verklaart dan dat de heiliging van de Geest het effect heeft dat we gehoorzamen en besprenkeld worden met het bloed van Christus. 1 Petrus 1:2 Als de Geest ons besprenkelt met het bloed van Christus om ons te reinigen, moeten we dus niet denken dat we vóór die besprenkeling iets anders zijn dan een zondaar zonder Christus.

Het moet dus vast blijven staan dat het begin van onze redding een opstanding is, als uit de dood naar het leven. Want pas als het ons omwille van Christus gegeven is dat we gaan geloven, Filippenzen 1:29 beginnen we uit de dood over te gaan in het leven.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.