3.14.3 – Goed gedrag zonder geloof is zonde

0
135

Toch is het ook waar wat Augustinus schrijft: ieder die van het dienen van de enige God vervreemd is, verdient geen beloning, maar juist straf, zelfs al worden ze bewonderd omdat ze bekend staan om hun goede eigenschappen. Want de reine gaven van God besmeuren ze door hun onreine hart. Weliswaar zijn ze instrumenten van God om door rechtvaardigheid, ingetogenheid, vriendschap, zelfbeheersing, kracht en wijsheid de maatschappij in stand te houden. Maar ze verrichten hun goede daden wel op een heel verkeerde manier. Want ze worden niet van verkeerde daden afgehouden door verlangen naar het goede, maar alleen door eerzucht of egoïsme of door welke andere verkeerde motivatie ook.

Hun daden komen voort uit een onrein hart. Hun daden zijn dus bedorven omdat de bron onrein is. En daarom moeten hun daden niet gerangschikt worden onder de goede daden, net zo min als de slechte eigenschappen die ons vaak bedriegen omdat ze zo lijken op goede eigenschappen.

Kortom, we moeten ons herinneren dat het eeuwige doel van rechtvaardigheid is dat God gediend wordt. Daarom verliest alles wat een ander doel nastreeft terecht de naam rechtvaardigheid. Zij kijken niet naar het doel dat God in zijn wijsheid voorschrijft. Dus is wat zij doen zonde, ook al lijkt het dat ze hun plicht goed vervullen. Het is toch zonde omdat het doel verkeerd is.

Augustinus concludeert daarom dat alle Fabriciussen, Scipio’s van Cato’s – alle heidenen die zo geprezen worden – in hun geweldige daden gezondigd hebben omdat ze het licht van het geloof misten en daarom hun daden niet richtten op het doel waarop ze die hadden moeten richten. De echte rechtvaardigheid was in hen dus niet aanwezig. Want of je je plicht vervult hebt, wordt niet beoordeeld op grond van wat je doet, maar op grond van wat je bedoeling is.1

1Augustinus, Contra Iulianum IV, 3

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in