3.14.19 – Goede daden bewijzen dat we gered zijn

0
298

Dus als de heiligen hun geloof versterken op basis van de onschuld van hun geweten en dat voor hen aanleiding is tot blijdschap, doen ze niets anders dan op grond van de vruchten van hun roeping concluderen dat ze door de Heer als kinderen zijn aangenomen.

Salomo leert dat in het vrezen van de Heer een sterke zekerheid ligt. Spreuken 14:26 En soms verklaren heiligen, omdat ze willen dat de Heer naar hen luistert, dat ze voor zijn ogen oprecht en ondubbelhartig geleefd hebben. Genesis 24:40; 2 Koningen 20:3 Maar dat is niet bedoeld als fundament om het geweten op te bouwen. Die woorden hebben pas betekenis als je ze opvat als conclusie achteraf, als een teken dat God je geroepen heeft. Want nooit vrezen mensen de Heer zo dat ze daarop hun volledige zekerheid kunnen bouwen. Ook de heiligen zijn zich ervan bewust dat hun zuiverheid nog steeds vermengd is met vele restanten van het vlees.

Maar aan de vruchten van hun nieuwe geboorte ontlenen ze het bewijs dat de Heilige Geest in hen woont. Dat versterkt in hen niet zo’n beetje het vertrouwen dat ze in elke nood hulp van God mogen verwachten. Want in zo’n belangrijke kwestie ervaren ze dat Hij hun Vader is. Maar zelfs dat kunnen ze pas als ze eerst Gods goedheid hebben vastgepakt, die door niets anders bezegeld wordt dan door de zekerheid van de belofte. Want als ze Gods goedheid zouden gaan beoordelen volgens hun eigen goede daden, zou er niets zo onzeker en zwak zijn. Want als hun daden op zichzelf beoordeeld worden, zullen ze door hun onvolmaaktheid evengoed bewijzen zijn van Gods woede, als ze door hun begin van zuiverheid, hoe gebrekkig ook, tekenen zijn dat Hij hun goedgezind is.

Kortom, als ze Gods zegeningen verkondigen, doen ze dat zo dat ze toch niets afwijken van Gods onverdiende gunst. Want Paulus verklaart dat Gods gunst de lengte, breedte, diepte en hoogte omvat, alsof hij zei: ‘Waarheen vromen hun zinnen ook wenden, hoe hoog ze ook stijgen, hoever ze zich ook in de lengte of de breedte uitstrekken, toch moeten ze niet buiten Christus’ liefde gaan. Ze moeten altijd blijven binnen de grenzen van het nadenken over die liefde, omdat die alle dimensies omvat.’ En daarom zegt Paulus dat die liefde alle verstand te boven gaat. En dat we, als we erkennen hoezeer Christus ons heeft liefgehad, vervuld worden met al de volheid van God. Efeziërs 3:18-19 En daarom voegt hij, als hij ergens anders roemt dat de vromen in elke strijd overwinnen, er meteen de reden aan toe: ‘Door Hem die ons liefgehad heeft.’ Romeinen 8:37

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in