3.12.6 – We moeten alles van onszelf loslaten

0
101

En op welke manier kunnen we ons anders vernederen dan door, zelf totaal arm en leeg, ruimte te geven aan Gods barmhartigheid? Want ik noem het geen nederigheid als we denken dat er nog iets in ons overgebleven is. Tot nog toe wordt er een gevaarlijke huichelarij geleerd door degenen die deze twee dingen bij elkaar willen houden: dat we tegenover God nederig moeten denken over onszelf, maar dat we toch onze eigen rechtvaardigheid ook enige waarde moeten toekennen. Maar als we voor God iets belijden wat in strijd is met wat we eigenlijk vinden, staan we schandelijk tegen Hem te liegen. En we kunnen onmogelijk een gepaste mening over onszelf hebben als we niet alles vernietigen wat in ons prijzenswaard lijkt.

Bij de profeet lees je dat er redding klaarligt voor het nederige volk, maar vernedering voor de ogen van de trotsen.1 Bedenk dan dus in de eerste plaats dat de toegang tot de redding niet voor je openstaat, tenzij je alle trots hebt afgelegd en door en door nederig geworden bent. En in de tweede plaats dat die nederigheid niet een bepaalde bescheidenheid is, waardoor je voor de Heer een centimeter afstand doet van je recht. Zo worden onder de mensen nederig genoemd wie zich niet hoogmoedig verheffen en niet op anderen neerkijken, hoewel ze er toch wel enig vertrouwen in hebben dat ze beter zijn dan anderen. Maar voor God moet je nederigheid een oprechte nederigheid van hart zijn, verslagen door een ernstig besef van je ellende en armoede. Want zo wordt het overal in Gods Woord beschreven.

Bij Zefanja zegt de Heer: ‘Ik zal van jou wegnemen wie juicht, maar Ik zal in het midden van je volk laten overblijven wie bedrukt en arm is en zij zullen op de Heer hopen.’2 Laat de Heer daarmee niet duidelijk zien wie de nederigen zijn? Dat zijn zij die verslagen neerliggen omdat ze hun ellende kennen. Maar aan de andere kant noemt Hij degenen die juichen trots. Want mensen die blij zijn om hun voorspoed, juichen meestal. Maar de nederigen die Hij besloten heeft te redden, laat Hij niets overhouden, behalve dat ze hopen op de Heer.

Daarom zegt de Heer ook bij Jesaja: ‘Op wie zal Ik anders letten dan op de arme met een gebroken hart en op hem die beeft voor mijn woorden?’ En: ‘De hoge en verhevene, die woont in de eeuwigheid en wiens naam heilig is, die woont in de hoogte en in het heilige en bij wie een gebroken en nederig hart heeft, om de geest van de nederigen en het hart van de gebrokenen levend te maken.’3 Als je zo vaak het woord ‘gebroken’ hoort, zie dat dan als de wond van het hart waardoor een mens die verslagen op de grond ligt niet kan opstaan. Je hart moet zo gebroken en gewond zijn als je, volgens Gods woorden, samen met de nederigen verhoogd wilt worden. Als dat niet gebeurt, zul je door de machtige hand van God vernederd worden, tot je eigen schaamte en schande.

1Psalm 18:28

2Zefanja 3:11-12

3Jesaja 66:2; Jesaja 57:15

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in